’t Is nog al nie noa de wuppe…

De passage van Jan Terlouw in het Nederlandse televisieprogramma De wereld draait door werd door heel wat Vlaamse media, politici en burgers opgepikt. Terlouw vertelt gepassioneerd en duidelijk geëmotioneerd over de sfeer in de politiek en de maatschappij van vroeger. En dan maakt hij de vergelijking naar onze huidige, wantrouwige en planeetonvriendelijke, samenleving. Hij doet een pleidooi naar meer vertrouwen. Vertrouwen tussen politici onderling, politici en burgers. Ook een pleidooi om zorg te dragen voor onze planeet. Want wij hebben zoveel potentieel.

We kúnnen alles.

Er zijn geen technische noch economische argumenten om er niet samen voor te gaan. Voor een leefbare wereld. Er is zoveel mogelijk. Maar toch slagen we erin om elkaar tegen te werken en de oplossingen niet te zien.
Terlouw wenst ons en de toekomstige generaties een mooi leven, zoals hij gehad heeft. En daarvoor zullen we een radicale ommezwaai moeten maken. In ons energiebeleid. In ons politiek model.

Tijdens het bekijken van het fragment, werd ik triest en blij tegelijk. Ik kreeg tranen in de ogen, maar ook kippenvel. In zeven minuten tijd haalt deze man de essentie aan van waar het in het leven om draait; proberen samen te leven, zorg dragen voor onszelf, de natuur en de dieren,  vertrouwen hebben in elkaar. En, denken aan de toekomst en die van onze kinderen, want ook zij verdienen een mooi leven op een leefbare planeet.
Ik heb geen sterkere boodschap gehoord de afgelopen maanden, misschien wel jaren.
Het geeft mij zin om ervoor te gaan. Om mij in te zetten. Om de medemens opnieuw te vertrouwen. Om te werken aan een mooie toekomst.

Maar dan open je Twitter. Lees je enkele kranten. En dan zie je dat onze politici (rechts én links) er helemaal niets van snappen. Het oh zo mooi pleidooi wordt gebruikt om elkaar en elkaars vroegere en huidige beleid te verwijten. In plaats van de boodschap samen op te pikken, en er samen – met positieve ingesteldheid – voor te gaan.

Heel wat burgers snappen het wel. Nu de politici nog.

Want eerlijk, ik wil Wannes Cappelle en zijn Zesde Metaal héél graag geloven. En dromen.
Want; ’t is nog al nie noa de wuppe…

Doen we voort, tegoare?

Advertenties

Wat een lef hebben wij, moderne vrouwen, toch !

Woensdagavond. Huisje opgeruimd. Kindje in bed. Ontspanning. En dan besluit de moderne vrouw in mij eens te kijken wat er allemaal gebeurt op Twitter. Mijn oog valt meteen op een tweet over een uitspraak van Fernand Huts in Knack Trends. “Jongeren willen niet meer ondernemen en dat ligt aan de rol van de moderne vrouw”. Excuseer? Dus dat betekent al dat ik het woordje ‘jongeren’ eigenlijk al moet lezen als “jonge mannen”, want ja, als de moderne vrouw de oorzaak is van het niet willen ondernemen van jongeren, dan zal deze alleszins zélf ook al niet ondernemen. Ik lees verder. “Ze (de vrouwen, dus) zijn veeleisender geworden. Een man moet mee instaan voor het huishouden, thuis zijn, meegaan op citytrip, skiverlof…[…] Nu komt quality time vóór geld verdienen. Sorry maar zo gaat de wereld niet vooruit. Wat is dat quality time? Samen in een koetsje door het stad en een wafeltje eten aan het strand?”

Eventjes geloof ik niet wat ik lees. Maar dan sijpelt het me te binnen. Hij meent het, hij meent het écht. Wat een lef hebben wij, moderne vrouwen, toch ! Onze mannen thuis willen hebben met de feestdagen! Hem meepakken op skiverlof! (Dat zal nogal tegen hun zin zijn ook van die mannen, dat skiën. Stel je voor. Op skilatten een berg moeten afglijden en dan pinten drinken in een après-skibar. Welke vent doet dat nu graag?) En het ergste moet nog komen: quality time together! Verdorie toch, romantische trienen die we zijn. Godganse dagen wafels willen gaan eten en Assepoester-gewijs met een koets willen rondtoeren door ’t stad. (’t Zal dan alleszins al Antwerpen niet zijn. Of ’t zou een gesloten koets moeten zijn, zodat we niet te hard blootgesteld worden aan de uitlaatgassen.)

Meneer Huts. Ben jij eigenlijk niet beschaamd om zo’n uitspraken te doen? We leven niet meer in de middeleeuwen. Dat je dat jammer vindt, dat had je eerder deze week al duidelijk gemaakt. De middeleeuwen, wat een gouden tijden. Dan waren er tenminste privileges voor de ondernemers, de übermenschen als u en uw soortgenoten. Dan waren vrouwen tenminste nog niet veeleisend. En waren ze dat wel, dan konden ze stante pede de brandstapel op. Dat waren nog eens tijden.

Maar goed. We zijn ondertussen een dik millennium verder. Een overgroot deel van de hedendaagse mannen, vindt het best oké dat vrouwen veeleisend zijn. Velen van hen gaan zelfs graag skiën. En misschien nog méér onder hen zijn graag al eens thuis bij hun kinderen tussen kerst en nieuw. Maar zijn wij, jonge mannen én vrouwen daarom minder ondernemend? Wel integendeel. Volgens Van Dale betekent het woord ‘ondernemen’ 1. Op zich nemen, en 2. Beginnen te doen; uitvoeren: actie ondernemen. De huidige generatie vrouwen en mannen nemen veel op zich. Veel mannen nemen bijvoorbeeld ook een aandeel van het huishouden op zich. Nemen de zorg van de kinderen (gedeeltelijk) op zich. Maar deze vorm van ondernemen is allicht, in uw opzicht, minderwaardig aan uw visie op ondernemen. Ondernemers zijn pas écht goede ondernemers als ze minstens 18 uur per dag werken. Geen verlof nemen. De economie doen draaien, verdorie.

Wel, meneer Huts. Zal ik u eens wat zeggen? Wij doén de economie draaien. Werknemers en (kleine) zelfstandigen hebben daar een aardig aandeel in. We moeten niet onder doen voor grote ondernemers zoals u.

Laat ik even beginnen met werknemers. Werknemers zijn nodig, of u het nu wil of niet, om meerwaarde te creëren. Werknemers verhogen de productiviteit. Werknemers zijn een niet onbelangrijk onderdeel van de “motor van de economie”. En, naast de uren (en vaak ook overuren) die werknemers presteren, consumeren ze ook. Ze gaan bijvoorbeeld een wafel eten aan zee of gaan op skiverlof. Ik vermoed dat de horeca en de toeristische sector niet zo blij zou zijn als wij vrouwen wat minder veeleisend zouden zijn en dus gewoon thuis aan de haard zouden willen blijven met onze bloedjes van kindjes.

Daarnaast zijn er ook heel wat (jonge) zelfstandigen. Freelancers. Consultants. Overal beginnen jonge mensen met een eigen zaak, vaak eerst in bijberoep, naast hun vaste job én gezin (waar ze ook meehelpen met de opvoeding van hun kinderen, stel je voor). Die jonge ondernemers zoeken het gat in de markt, zijn innovatief, werken nachten en weekends gepassioneerd aan hun project. Bieden diensten aan. Zijn creatief. Ze draaien helemaal mee in de nieuwe economie en spelen in op de vele eisen (see what I dit there) van de huidige generatie. Denk maar aan de Wasbar, de fietsende fietsmaker, de studente Laura met haar gezonde bakkerij, … En honderden andere voorbeelden van enthousiaste jongelingen die een neus hebben voor modern ondernemerschap.

Het spijt me dus de illusie te doorprikken dat enkel “de happy few” niet akkoord zijn met uw visie. Ik meen voor héél veel jongeren te spreken als ik zeg: wij jongeren, zijn wél ondernemend. Wij zijn mee met onze tijd. Wij zijn multitaskers . Wij zijn capabel om én aanwezige partners en ouders te zijn, én ondernemend te zijn. Wij zijn daarnaast ook inderdaad graag eens thuis, want zien onze partner als onze gelijke, en niet als een veeleisende last die ons tegenhoudt. En, tenslotte, hoeven wij heus niet veroordeeld te worden door een oude (sorry) ondernemer die zichzelf als lichtend voorbeeld ziet voor een goed draaiende economie.

En dan was er nog … pepe

Bewust liet ik in deze blog nog een belangrijke gebeurtenis na de geboorte van ons kleintje achterwege.

Het overlijden van mijn grootvader.

Want mijn pepe verdient een blogpost voor zichzelf. Mijn pepe. Mijn dooppeter. Mijn grote voorbeeld. De meest wijze man die ik kende.

Toen ons kleintje geboren werd, was er nog geen vuiltje aan de lucht. Ik kon niet wachten toen ik uit het ziekenhuis was om hem mee te nemen en voor te stellen aan mijn pepe. Zijn overgrootvader die in januari zijn negentigste verjaardag gevierd had en toen geopperd had graag honderd jaar te worden. Tenminste! Negentig jaar zouden ze schelen, mijn grote held en mijn kleine held-to-be. Toen dat kleine heldje één week oud was, mocht hij mee met de auto richting het dorp waar mijn ouders en grootouders wonen. Zo fier als een gieter kwam ik pepe zijn achterkleinkind tonen. Pepe, altijd al een man geweest van weinig woorden, zei niet veel. Dat het een schoontje was en dat ik dat goed gedaan had. En dat ik er goed voor moest zorgen. Ik zag in zijn ogen de fierheid. Dat uiten, dat deed hij niet. Maar zijn blinkende ogen vertelden genoeg. Je zag dat hij blij was met dit nieuwe leven. Vasthouden, dat wou hij wel niet. Dat deed hij niet met baby’s. Die waren te fragiel in zijn grote werkershanden. Maar van op een afstand zat hij te gluren in de Maxi Cosi en te genieten van de nieuwe generatie.

Hij heeft hem maar een paar keer mogen zien. En ons kleintje heeft mijn grote held dus niet echt gekend. En dat vind ik verdomd spijtig. Want ik ben zeker dat hij hem veel had kunnen bijbrengen.

De manier waarop hij ons werd ontnomen, was gewoon niet eerlijk. Kwam geheel onverwacht. Een tiental dagen eerder was hij nog in form op het communiefeest van mijn nichtje. Tien dagen later werd hij niet meer wakker ’s ochtends. Of toch niet meer écht.

Het was moederdag. 10 mei 2015. Ik zette letterlijk op mijn Facebookpagina: … stralend – 1 jaar getrouwd en mijn eerste moederdag. Mijn dag kon niet meer stuk. Dacht ik. Tot we op bezoek gingen bij mijn ouders en ik in een leeg huis binnenkwam. De was die net uit de droogtrommel kwam lag verspreid over de keukentafel. Twee handdoeken waren al geplooid. De radio speelde zachtjes op de achtergrond. Dat mijn moeder haar huis zo zou achterlaten? Dat kon niet. Ik voelde meteen dat er iets niet klopte. Toen ik even belde hoorde ik dat ze bij pepe was. Ze kregen hem niet wakker. De huisdokter was langsgeweest en had meteen de hulpdiensten gebeld. Pepe lag luid te snurken. Maar zijn ogen opende hij niet meer. Hij lag in een diepe slaap. Wat ze ook probeerden, reactie kwam er niet.

Hij werd naar het ziekenhuis gebracht. De dag erna overgebracht naar een ander ziekenhuis. Diagnose: hersenbloeding. In het voorste gedeelte van zijn hersenen. Alle andere functies van zijn lichaam werkten nog. Hij was niet verlamd, zijn organen deden het nog. Maar hij reageerde amper.

Toch deed hij zijn ogen nog open en probeerde hij dingen te zeggen. Te grommen. Zijn vals gebit mocht hij niet meer inhebben dus konden we hem al helemaal niet meer begrijpen. Hij lag op intensieve zorgen en er was nog hoop. Want het feit dat hij probeerde te babbelen, was misschien wel een teken dat er verbetering in zicht was. We konden niks anders doen dan afwachten. Uren en dagen. Hij mocht twee keer een halfuur per dag bezoek hebben. In de namiddag en ’s avonds. Om hem niet teveel uit te putten. De kinderen en kleinkinderen zorgden ervoor dat er op die momenten zeker iemand was. En sms’ten en belden elkaar dan achteraf om te zeggen hoe pepe gereageerd had. Wat hij gezegd had. We klampten ons allemaal vast aan een laatste sprietje hoop.

Ondertussen zat ik thuis met een huilend kindje. Werd ook hij opgenomen in – weliswaar een ander – ziekenhuis. Moest mijn mama haar aandacht verdelen tussen haar dochter en haar pasgeboren kleinzoontje, en haar vader. De enige ouder die ze nog had. Haar mama en mijn meme was al overleden. En toch deed ze het ; ze was er voor mij. En ze was er voor pepe. Maar het moesten de lastigste weken van haar leven geweest zijn. Bang haar papa te verliezen het ene moment, het andere moment haar dochter kalmeren, en toch ook proberen te genieten van haar kleinzoontje. Sterke madam, die mama van mij.

Voor mezelf was het, to be honest, de hel. Ik had het gevoel dat ik mijn pepe in de steek liet. Dat ik onvoldoende op bezoek kon gaan. Ik kón in de namiddag gewoon niet op bezoek gaan bij pepe, want ik kon mijn kleintje niet meenemen naar de intensieve zorgen waar pepe lag, noch kon ik mijn kindje dan afzetten bij mijn ouders, want zij waren ook op bezoek bij pepe. Dan probeerde ik ’s avonds, als mijn man thuiskwam van het werk, nog heel snel naar pepe te rijden om zijn hand te kunnen vasthouden en er te zijn voor hem. En ik voelde me ook schuldig, omdat ik – voor de geboorte van ons zoontje – élke week op bezoek ging bij pepe. En na de geboorte, had ik hem maar twee keer meer gesproken. Ik was niet elke week geweest. Had ik dat maar gedaan. En had ik op dat communiefeest van mijn nichtje maar wat tijd genomen om mij bij pepe te zetten en te vragen hoe het met hem ging. Had ik maar, had ik maar…

Nog geen twee maand na de geboorte van mijn kleintje, blies mijn grote held zijn laatste adem uit. Met bijna de hele familie rond hem. En ik was er niet bij. Mijn papa was aan het babysitten en ik moest naar huis. Tien minuten voor hij stierf. Had ik het geweten, was ik die tien minuten nog gebleven. Kon hij ook mijn warmte voelen die laatste seconden. In plaats daarvan zat ik in mijn auto. En kreeg ik telefoon. En reed ik huilend en hysterisch terug naar mijn huis. Naar mijn zoontje. Ik nam hem vast in mijn armen en heb uren zitten wenen. Tot mijn man thuiskwam. Leven en dood, zo dicht bij elkaar.

Enkele dagen later dan de begrafenis. Het eerste wat de begrafenisondernemer tegen mij zei was dat ze dat veel ziet; een kleintje geboren en een (over)grootouder die sterft. Schuldgevoel maal duizend. Want ja, waarom wou ik zo snel een kind? Misschien, als mijn kleine schat wat later geboren was, was mijn pepe ook later gestorven. Ik weet, rationeel gezien, natuurlijk dat dit bullshit is. Maar toch speelde het in mijn hoofd. Vond iets of iemand in dit universum dat ik niet genoeg liefde in mijn hart had voor nog iemand extra? En moest er dan maar iemand die ik al graag zag uit mijn hart verdwijnen? Mislukt hoor. Uit mijn hart verdwijnen doet hij niet mijn pepe.

Hij leeft verder in mijn kleine held zijn helderblauwe ogen. Want die, én zijn mooie stiekeme lach, die heeft hij van mijn pepe. Voor altijd.

Van lood in de schoenen naar losse sandaaltjes

Ik zat diep. Gevangen in een neerwaartse spiraal. Minuten duurden uren. Dagen duurden jaren. Althans in mijn hoofd. Maar mijn kleintje bleef even klein, evenveel baby, even hulpeloos. En ook even schattig tegen zijn mama. Hij is het liefste dat ik heb, het mooiste wezentje dat ik ooit in mijn leven gezien heb. Dé toekomst in dat kleine lichaampje. Maar ik kon niet genieten van mijn zwangerschapsverlof. Hoe hard ik ook probeerde.

Twee kantelmomenten hebben ervoor gezorgd dat ik stilletjes aan weer de oude werd. Het eerste moment was de eerste dag dat ik mijn kleintje voor een ‘test-ochtend’ naar de crèche mocht brengen.

Ik had een hele ochtend voor mij alleen. Ik dacht vooraf; hoeraaaa, freedom! Ik ga shoppen! Naar de kapper! Iets voor mezelf doen! Mezelf in de watten leggen! En wat deed ik? Ik liet mijn kleintje met een klein hartje achter bij de lieve verzorgsters in de crèche. En ging inderdaad winkelen. Maar nee hoor niet voor mezelf. Ik wandelde een kledingwinkel binnen, maar de vrouwencollectie kon me niet bekoren. Al waren de solden net begonnen (!). Ik kocht iets voor mijn kleintje. Keek elke vijf minuten naar mijn gsm. Zouden ze niet gebeld hebben van de crèche? Zou alles er goed mee zijn? Zou hij braaf zijn? Zouden ze er goed voor zorgen? Wil hij daar drinken? En slapen? Na 210 lange minuten, mocht ik hem terug gaan ophalen. Ik voelde me als een puber op haar eerste date. Vlinders in de buik, spanning, tintelingen in de vingers. Ik was zó zenuwachtig om hem terug te zien! Hoe zou hij het gesteld hebben? En zou hij mij herkennen als ik de crèche binnenwandelde? En ja hoor; hij was super flink geweest. De verzorgsters waren vol lof over mijn hartendiefje. En aan zijn brede glimlach te zien, was hij ook content. En blij ook om mij terug te zien. Wat een magisch gevoel… Ik moest hem even missen en gescheiden van hem zijn, om te beseffen hoe graag ik hem wel zie. Absence makes the heart grow fonder. True story.

Ik ben dus gewoon geen thuisblijfmama. PUNT. Vanaf het moment dat ik terug ging werken, en mijn kleintje de structuur van de crèche gewoon was, begon mijn gemoedstoestand te verbeteren. Ik kwam terug buiten, kon babbelen met andere volwassenen (over dossiers praten is soms écht wel leuker dan koetsjie koetsjie koe), maar verlangde ook de hele dag om mijn lieve zoon te gaan ophalen van de crèche. En vanaf vijf uur in de namiddag begon dan mijn tweede deel van de dag. Hem zien, vastnemen, ermee spelen, samen een badje nemen, … En dan lekker vroeg in bed kruipen. Die periode sliep hij gelukkig ook al door, waardoor vermoeidheid me ook geen parten meer kon spelen.

Toch was mijn gevoel nog niet honderd procent wat het moest zijn. Ik kon nog steeds zenuwachtig worden. En vooral ook overbezorgd. Omdat hij geen “volgens-de-boekjes-baby” was. Maar volgens mij zijn er helemaal geen “volgens-de-boekjes-baby’s”! Elke baby is anders! Maar waarom bestaan die boekjes dan? Om “newly moms” paniek aan te jagen? Om ervoor te zorgen dat we toch maar bij elk klein signaaltje op onze hoede zijn? En nog iets! Weg met weegschalen! Ik had zo’n verfoeid ding in huis. Want een baby moet in de eerste maanden elke week minimum 200 gram bijkomen. Wel dat deed mijn kindje op een gegeven moment niet. Ik kon het niet laten hem elke dag wel eens op dat ding te leggen. Al zei mijn hoofd “neeeeeeeeeeeeeen, doe dat niet”, ik deed het toch. Om dan teleurgesteld te zijn en te panikeren omdat hij niet “snel genoeg groeit” volgens de boekjes. (En dan moet je weten dat hij al de hele tijd pal op het gemiddelde zit qua gewicht, ik moest me helemaal geen zorgen maken).

Op een gegeven moment wou hij weer eens niet goed drinken. En ik was alleen thuis. En dan zijn mijn stoppen doorgeslagen. Ik belde naar mijn mama in paniek en riep dat hij weeral niet wou drinken en dat ik het niet kan en dat ik de slechtste mama ooit was en dat ik mezelf iets zou aandoen. Heel kort daarna stond ze daar dan. Mijn lieve mama. Ik zat in de zetel met mijn kleintje in mijn armen. Hij was ondertussen al in slaap gevallen. En ik was al een beetje gekalmeerd. Mama vroeg me heel rustig wat er scheelde. En of ik mij al lang zo slecht voelde. Als een stortvloed aan woorden kwam er alles er dan uit.

Ik ben haar heel dankbaar om de manier waarop ze toen gereageerd heeft. Ze luisterde gewoon. Ze oordeelde niet. Ze wou mij niet gewoon “ompraten” en zeggen “maar meiske toch, gij kunt dat wel”. Ze zag de ernst van de situatie ook in. Ze zag ook dat het meisje dat daar bij haar zat maar een fractie was van hoe haar dochter normaal zou zijn. En stuurde me naar de dokter. Wat mijn partner al een aantal weken had gezegd. Maar toen mijn mama het mij zei, luisterde ik meteen. Mama’s weten het gewoon beter. Zij kennen hun kind het best. En als mijn mama vond dat ik hulp verdiende, dan verdiende ik ook hulp.

De dokter liet me praten, huilen, praten en huilen. Ook hij had begrip. En wist ook dat hij met wat wetenschappelijke uitleg mij zou overtuigen dat het ‘niet aan mij lag’. Maar aan dat hele hormonenhandeltje in mijn lijf dat overhoop lag.  Dat veel vrouwen dat hebben. En dat ik een sterke vrouw ben, want dat ik het niet te lang heb laten aanslepen. Dat dat moedig is. En geen taboe zou mogen zijn. Hij zei me dat ik gewoon een stofje tekort had momenteel. Ik vroeg nog of ik niet met een specialist moest gaan praten en hij zei me dat dat niet nodig was. Want dat ik een goede omgeving had, een goede relatie. Dat het probleem dus niet daaraan lag. Maar gewoon biologisch was. Een stofje in mijn hoofd. Dat verdwenen was bij de bevalling. Gelukkig bestaan zo’n stofjes ook in kleine witte dingetjes die je kon innemen. En zo kreeg ik, na een week of twee, het stofje terug. In die korte periode, sloeg mijn gemoedstoestand om.

Dat kleine verdomde stofje zweefde nu ergens tussen mijn hart en mijn hoofd. Dat kleine stofje maakte de vlinders in mij wakker. Dat kantelmoment zorgde ervoor, enkele maanden later dan voorzien, dat ik nu dolverliefd ben op mijn man(nen) en de meest trotse mama op deze mooie wereld ben. Wonderstof. Sterrenstof.

En mijn mama? De liefste mama ooit. Bedankt.

Gevangen in harteloze gedachten

Mijn medisch relaas in de vorige blogpost was nodig, om het één en ander te kunnen duiden. Want wanneer je kind geboren wordt, dan zijn de meeste wensen “geniet ervan, ze worden zo snel groot, de tijd gaat zo snel”. Maar die eerste drie maand met mijn kleintje, konden eigenlijk voor mij niet snel genoeg voorbij zijn. Ik deed niks anders dan verlangen naar later. Verlangen tot ’s middags, wanneer mijn man tijdens zijn middagpauze naar huis zou komen om ons te vergezellen. Verlangen tot ’s avonds wanneer hij eindelijk thuiskwam. Verlangen tot het kleintje wat ouder was, en vlotter zou drinken. Verlangen tot ik weer kon gaan werken. Want ik voelde me opgesloten. Opgesloten tussen mijn vier muren.

“Ga eens wandelen, ’t is zo’n mooi weer”, zeiden velen. En dat deed ik dan maar. Want dat zou deugd doen hé, met mijn buggy in het zonnetje gaan wandelen. Ja. Een kwartier. Hetzelfde toertje, telkens weer. Tof…. Not! Ik ben nog nooit een wandelaar geweest, toch niet in mijn eigen omgeving. Ik ga graag eens gaan wandelen ja, naar het bos, naar zee. Maar ook – en misschien vooral – omdat dat wandelen dan achteraf beloond wordt met een warme chocomelk en een pannenkoek. Wandelen met mijn kleintje leidde helaas niet tot een zoete beloning. Ik kwam gewoon weer thuis in hetzelfde huis. Ik haalde mijn kind uit zijn draagmand. Ververste hem. Legde hem in zijn park. Of bij mij in mijn armen. Pampertje verversen. Flesje geven. Huiltjes sussen. Fotootjes nemen. Want ik moest en zou tonen dat ik een mooi kindje had en dat ik trots was en zo gelukkig was. Ik had tijdens zijn korte dutjes(vijfenveertig minuten aan een stuk, langer sliep hij niet) ook totaal geen energie om het huishouden te doen. Ik wou dan rusten. Slapen. En vooral even niet denken aan de sleur van het moederschap. Want zo zag ik het.

Was dit het nu? Mama zijn? Opgesloten zitten in een huis met een baby, wachtend tot het vaderken thuis zou komen? Waar was ik aan begonnen… Ik was hier helemaal niet klaar voor ! Ik ben verdorie zevenentwintig jaar! Zie mij hier nu zitten. Moederziel alleen met een hoopje baby. Ondertussen ging het leven van mijn vrienden verder. Op Whatsapp en Facebook zie ik foto’s van feestende mensen verschijnen. Van cocktails op het strand. Van verre reizen. Van leuke citytrips. Van vrijheid. En ik zat daar. Ik voelde mij een verschrikkelijk slechte mama om wat ik dacht en voelde. Ik voelde mij een nog slechtere echtgenote voor mijn man. Want mijn gehuil en gezaag, dat kon toch ook niet fijn thuiskomen zijn na een dag werken. Ik voelde mij een slechte vriendin, want ik was niet meer mee in het leven van mijn vrienden. Ik voelde mij ook een slechte “ik”. Want zo was ik niet. Zo pessimistisch, zo energieloos, zo … depressief?

Ik wilde gewoon weglopen van mijn leven. Van mijn baby. Van mijn verantwoordelijkheid. Want ik kon het gewoon niet. Ik heb nul geduld. Nul zelfvertrouwen. Nul zelfbeeld. Wat heeft dat prachtig kind aan zo’n moeder? Wat had ik mijn lieve, schattige zoontje te bieden, behalve verse luiers en een flesje elke vier uur? Dat kon iedereen anders hem ook bieden. Daar had hij mij vast niet voor nodig.

Deze gevoelens, zo weet ik achteraf, kwamen vooral uit moederliefde. Ik wilde – en wil! – voor mijn kind het allerbeste. Een lachende, fiere mama. Een mama die het goede voorbeeld geeft. Die blij is. Die zichzelf graag ziet. Die het beste van zichzelf geeft. Want enkel met zo’n goed voorbeeld, kon mijn lieverd een mooi mens worden. Ik wou hem een warme thuis geven, maar ik kon dat op dat moment niet. Want mijn hart voelde zo koud. Het leek bij momenten alsof ik zelfs geen hart had.

Een harteloze mama. Is dat geen contradictio in terminis?

De wondere wereld van het maag – en darmstelsel van een pasgeborene

Mijn kleintje was pas enkele weken oud toen ik besliste om de borstvoeding dan maar op te geven. Het.lukte.gewoon.niet. Een combinatie van factoren stond mijn vooropgestelde doel in de weg. Ik wou namelijk toch zeker 10 weken borstvoeding geven, zodat ik hem een goede start met een goede weerstand kon bieden. Vier weken na de geboorte werd dat doel ijdele hoop. Een slechte opstart in het moederhuis. Een zenuwachtige (perfectionistische?) mama. Een al even zenuwachtige en ongeduldige baby. Een slechte zuighouding met heel veel pijn tot gevolg. Krampjes de hele dag door.

Flesjes dan maar. Want dat zou me vast minder stress geven. En een ontspannen mama zou dan ook zorgen voor een ontspannen baby. Helaas was die overschakeling ook niet meteen wat ik ervan verwacht had. Hij dronk de flesjes heel vlot, maar had nog steeds krampjes. En op de duur begon hij te wenen halfweg zijn flesje. Terwijl hij echt nog honger had. Maar hij gaf het op, ik zag de pijn in zijn grote ogen. Zijn ogen die in de mijne staarden en leken te zeggen: “Mama, zo gaat het toch niet? Doe iets! Ik wil zo graag met plezier drinken maar het doet zo’n pijn!” Dan maar een andere melk proberen. En volhouden, want je moet zeker twee weken proberen met een nieuwe melk om resultaat te zien. En dan nog maar eens een andere melk. De pediater zegt het zus, Kind en Gezin zo, en de vele vrienden en familieleden zeggen het nog eens honderd keer anders. Als ‘newly-mom’ weet je gewoon niet wiens raad te volgen. Al wist ik diep vanbinnen, instinctief, dat ze er allemaal naast zaten. Het lag niet aan de melk. Het lag niet aan het kleintje. Het waren niet gewoon krampjes die eruit moesten groeien. Er scheelde iets mee.

Toen hij uiteindelijk in het ziekenhuis belandde omdat hij gewicht verloren had, werden er wat onderzoeken gedaan. Diagnose: koemelkeiwittenallergie. De darmpjes van mijn kleintje waren nog niet voldoende ontwikkeld om zelf de koemelk te verwerken. Dát was dus de reden van de krampjes. En dáárom ook was de borstvoeding mislukt. Want ik hield me allesbehalve aan een koemelkvrij dieet. Had ik die eerste weken maar minder yoghurtjes gegeten, minder melk gedronken, … De pediater liet ons naar huis gaan met onze flinke zoon, die zijn allereerste brede glimlach in het ziekenhuis had getoond. Want krampjes of niet – en dat vergeet ik nu wel een beetje doorheen mijn betoog – onze zoon was een opgewekte, actieve en blije kerel. Enkel de drinkmomenten waren een marteling. Voor ons, maar blijkbaar voor hem nog meer. Hij kreeg een hypoallergene melk voorgeschreven, en het zou vast beter gaan. Maar… die melk stonk! Ik kon de melk niet ruiken, en mijn kleintje moest ervan drinken. Ocharme. De eerste dagen waren dus lastig. We moesten vuile trucjes toepassen, zoals toevoegen van Canderel-vanillesuiker. Fopspeen in de mond steken en zonder hij het zag plots vervangen door de fles… Et cetera. Uiteindelijk dronk hij wel, al was het nog niet met zijn volle ‘goesting’. En de pijn tijdens het drinken bleef wel, de krampjes achteraf bleven gelukkig uit. Die dure (18 euro voor een potje waar je zo’n 2,5 dagen mee verder kon!) en stinkende melk was volgens mij nog niet dé oplossing. Na een drietal weken wou ik daarom een second opinion. Een vriendin raadde mij haar pediater aan. Het was iets verder rijden. Maar wat een geluk dat we bij die man terechtgekomen zijn.

Mijn collega, zo zei de pediater, heeft een goede – maar halve – diagnose gesteld. Koemelkeiwitallergie, daar volgde hij zeker in. Maar het kleintje had ook verborgen reflux. Bij het drinken, kwam de melk terug naar boven, maar niet ver genoeg om het over te geven. Waardoor het terug naar beneden sijpelde. Gevolg? Een heel pijnlijke slokdarm en maagoprispingen. Natuurlijk had hij pijn halfweg zijn fles! De eerste slokken werkten nog verzachtend, maar vanaf het moment dat zijn maag in actie kwam, kwam ook het zuur en de pijn weer naar boven. Onze wonderdokter schreef medicatie voor, en nog een nieuwe melk. Op hoop van zegen…

Het werd elke dag wat beter! Het enige probleem was dat ons kleine slimme mannetje zijn flesje en drinken al geassocieerd had met pijn. En dus voor de zekerheid al halfweg zijn flesje stopte, omdat hij bang was voor de pijn die zou komen. En die associatie had hij vooral bij ons thuis, in het knusse hoekje in de zetel waar hij steeds zijn flesje kreeg. Ik dacht natuurlijk eerst dat het aan mezelf lag, maar toen ik merkte dat – wanneer ik het flesje eens bij mijn ouders thuis gaf – hij toen het flesje wél kon leegdrinken, begreep ik dat hij dat plaatsje thuis associeerde met pijn. In diezelfde periode startte hij ook in de crèche. Hij was ondertussen al drie maanden. Eindelijk zouden we onze draai vinden. In de crèche dronk hij ook zijn flesjes leeg. Dus hij kon het wel. Ik ben die dagen dan maar gaan experimenteren. Ik gaf mijn flandrientje eten in de garage, op de trap, in de gang, op het terras, … en jawel; hij dronk ! Melk geven in de garage? You’ve got to be kidding me? Maar ja, als mama probeer je echt alles om je kind te laten drinken…

Stilletjes aan zette ik mijn stoel opnieuw dichter en dichter bij de living, en na een aantal dagen was zijn associatie gelukkig verdwenen. Geen pijn meer tijdens het drinken, en een happy baby tot gevolg.

Kon het genieten eindelijk beginnen?

The hardest part

De liefde van mijn leven. Dat zag ik in zijn ogen. En dat voel ik nu ook. Maar de eerste weken dat hij in mijn leven was, voelde die liefde nog zo pijnlijk. Zo niet evident. Zo niet hoe ik het verwacht had. Hoorde de liefde tussen mama en kind niet een liefde te zijn die onvoorwaardelijk was, zonder scherpe kantjes? Was die liefde niet enkel rozengeur en maneschijn? Een vrolijk gehuppel op roze wolkjes? Alles wat ik vooraf verwacht had te voelen, bleek nu zo veraf. En ik begreep niet hoe dit kwam… Mijn kleine schat kwam vlot te wereld, maar wat volgde in de weken erop, kon je niet met het woord vlot omschrijven. Het kwam niet als vanzelf. Ik had verwacht dat na de geboorte alles wel spontaan in orde zou komen. Dat het moederschap me onmiddellijk in de vingers zou zitten en dat de verbintenis tussen mijn kleintje en ikzelf de evidentie zelve zou zijn. Tot borstvoeding één en al gesukkel bleek te zijn. En mijn periode in het moederhuis, waar ik hoopte de nodige steun en een goede start te vinden, zo hard tegenviel.

De dag dat hij geboren werd, werd een lange dag. Met bezoekjes van de grootouders, tantes en nonkels en enkele van de beste vrienden. Ik vond het heel fijn en leefde op adrenaline. Het feit dat ik al anderhalve dag wakker was, voelde ik niet. Tot ik ’s avonds alleen zat met het kleintje. Bezoek naar huis, de man wat slaap gaan inhalen. En ik in mijn bed. Het gevoel moederziel alleen te zijn…

Ik deed mijn uiterste best voor mijn kleintje. Maar dat kon niet gezegd worden van enkele vroedvrouwen. Die hele eerste dag kwam er amper iemand van het personeel door de deur. Enkel heel vroeg ’s morgens, zo’n vier uur na de bevalling, kwam de ochtendverpleegster me duidelijk maken “dat ik uit mijn bed moest” want dat ik zo “het snelst terug op de been zou zijn”. Epidurale verdoving in mijn benen of niet, hup met de geit. Ik was nu mama, dus slapen, dat was voor later. En de borstvoeding, dat zou ook wel vanzelf komen. Op dag één kreeg ik op dat vlak nul begeleiding. Waardoor ik vanaf dag twee eigenlijk al pijn had aan mijn borsten en ik op dag drie al moest beginnen sukkelen met tepelhoedjes (bah, het woord typen alleen al doet mijn maag ineen krimpen). Later die week kwam de aap uit de mouw. “Waarom vraag jij zoveel ondersteuning? Het is toch je tweede kindje? Je zou toch al een beetje moeten weten hoe alles in zijn werk gaat?”, sneerde een vroedvrouw me toe. Eum. Neen. Ik had nog nooit een kind op de wereld gezet. Ik wist dus helemaal niet hoe alles in zijn werk ging. En dan nog. Al was het mijn tweede kind; had ik dan geen recht gehad op wat ondersteuning, mocht het bijvoorbeeld de eerste keer borstvoeding geweest zijn? De vroedvrouw hoorde het in Keulen donderen en mompelde iets van “dat staat dan verkeerd in je dossier”.

Je leest het; mijn eerste dagen als mama waren niet echt een succes. Gelukkig nam ik de juiste beslissing om een zelfstandige vroedvrouw te bellen met de vraag me na mijn thuiskomst wat te ondersteunen. Zij heeft ervoor gezorgd dat ik de borstvoeding nog enkele weken heb volgehouden en dat ik terug op krachten kon komen. Maar de slechte start, die kon ik achteraf bekeken niet meer terugdraaien. Door een verkeerde zuigtechniek in het begin, had ik de dagen en weken erop heel veel pijn tijdens het voeden van mijn kleintje. Na elke voedingsbeurt hoopte ik dat hij niet snel weer honger zou krijgen. En als ik drie à vier uur later zijn honger-weentje hoorde, associeerde ik mijn baby met fysieke pijn. De hel. Kon hij nu niet gewoon wat langer slapen en mij wat meer laten rusten? Ik voelde me schuldig dat ik zo’n dingen dacht en voelde, ik wist geen raad met mezelf.

Ook mijn kleintje voelde zich niet optimaal. Hij had steeds felle krampjes. Hij huilde overdag redelijk veel door pijn in zijn darmpjes en ik had het gevoel te falen als mama. Waarom kon ik hem niet troosten? Waarom was mijn moederschap niet voldoende om hem goed te doen voelen? De stress die met deze gevoelens gepaard gingen, zorgden ervoor dat ik, wanneer mijn man ’s avonds thuis kwam, gewoon weende … weende .. en nog eens weende. En mijn kleintje ? Die stopte met wenen bij het zien van zijn papa. En dát gaf me natuurlijk nog een veel slechter gevoel. Mijn kleintje weent als hij bij mij is, en niet bij zijn papa. Ze deden het zo goed met z’n tweetjes, mijn mannen. Ik voelde me overbodig en slecht.

Achteraf bekeken, is de manier waarop alles verliep, eigenlijk niet meer dan logisch. Mijn kleintje weende minder ’s avonds, en al helemaal niet ’s nachts, omdat hij zo uitgeput was van het huilen overdag. Ook voelde hij natuurlijk mijn stress en onrust aan, en bij zijn papa kwam hij tot rust. Wat ben ik dankbaar dat we een goede relatie hebben, en dat mijn schat van een man me heeft bijgestaan in die moeilijke periode, mijn gehuil aan kon en me steeds weer het nodige zelfvertrouwen probeerde te geven. Wat ben ik ook blij dat ik goed gesteund werd door mijn familie en vrienden. En dan vooral mijn mama, die bijna elke dag langskwam om me even te laten tot rust komen.

Kan ik ooit ook zo’n fantastische mama zijn als de mijne? Ik hoop het.

Noot: Deze blogpost was niet fijn om te schrijven. Confronterend. Waarschijnlijk ook minder fijn om te lezen dan de vorige bijdragen. Als ik er mopjes of vrolijkheid aan zou toevoegen, zoals in mijn vorige posts, dan zou ik het gevoel dat ik toen had teniet doen en de ernst van mijn gevoelens van toen niet eerlijk beschrijven. Maar, het wordt beter! I promise. Blijf lezen! Doch, toen ik doormaakte wat hierboven beschreven staat, dacht ik dat het nooit meer beter werd…. Dus, voor alle (prille, en minder prille) mama’s die er even door zitten, om gelijk welke reden, it gets better… !

Als een echte Flandrien…

De zwangerschapsweken kropen voorbij. Als een slak. Want hoe meer je naar iets verlangt, hoe trager de tijd gaat. De buik werd boller, de ongemakjes namen toe, en de goede raad kende geen grenzen. Ik moest en zou genieten van die laatste weken zwangerschap, want ja, daarna was het voorbij, de rust. Ik zou er wel nog naar terug verlangen, naar die zwangerschap, eenmaal dat wenende kindje mijn nachtrust zou verstoren. Maar, eerlijkgezegd, ik heb nog geen moment gedacht “oh was ik nog maar zwanger”. Not.a.single.moment. De dag dat ik uitgerekend was, was ik het echt kotsbeu.

Ik besloot een bad te nemen om mezelf wat te kalmeren maar het hielp niet echt. Ik begon aan een staaltje “stand up comedy”, al liggend, weliswaar. Mijn man moest bijna wenen van het lachen toen ik op mijn sarcastisch toontje duidelijk maakte dat ik het allemaal een klein beetje véél beu was. De buik, de striemen, de vele telefoontjes met “Ewel, zijde gij nu nog niet bevallen!”. Ik had mijn show beter wat eerder opgevoerd, want diezelfde dag, op Pasen – hoe symbolisch – besloot mijn kleine Flandrien dat het welletjes was geweest. Hij wilde zijn beentjes strekken. En ik was blij dat ik dat vanaf de volgende dag niet meer tegen mijn ribben zou voelen. Na mijn bad liep alles zijn gewone gangetje. Ik nestelde me in de namiddag in de zetel om naar de Ronde van Vlaanderen te kijken. Veel heb ik er niet van gezien, want toen begonnen ze. De weeën. Met mijn gsm in de hand begon ik te timen. Jaaaaa, al een uur lang elke 5 minuten een wee. Hoera! Zou het? Zou mijn lichaam mijn hoofd eindelijk volgen? Een telefoontje naar het moederhuis later, mocht ik mijn weeën thuis nog wat opvangen. In bad opnieuw. En als ik na een uur in een warm bad nog steeds elke 5 minuten een wee had, dan mocht ik binnen. Het langste uur van mijn leven. De weeën gingen gelukkig niet voorbij en ik mocht me klaarmaken om in de auto te stappen. Joepie, spannend, ik zou heel binnenkort mama worden. Tijdens de rit naar het moederhuis hoorden we op de radio wie de Ronde Van Vlaanderen gewonnen had. Maar vraag me nu niet meer wie dat was. Ik was enkel maar bezig met mijn kleine Flandrientje. Verlangen maar, want binnen enkele uurtjes zou ik hem eindelijk in mijn armen mogen houden.

Eenmaal aangekomen in het moederhuis, mocht ik aan de monitor en onderzocht de lieve vroedvrouw of er down under al wat vorderingen waren. Een klein beetje. Maar een uur later, was dat kleine beetje nog altijd datzelfde kleine beetje. Dus ze belde de gynaecoloog van wacht, die duidelijk nog Paaseitjes aan het eten was met haar familie en me liever nog niet ontmoette. Ik zou beter nog wat naar huis gaan, want het was mijn eerste kind dus het zou vast nog heel lang duren.

Een beetje ontgoocheld stapten we terug in de auto en reden we het halfuur terug naar huis. Onderweg stopten we om frietjes te halen zodat ik toch wat energie had. Eenmaal ik thuis drie frieten gegeten had, begonnen de weeën echter met zich van hun meest sadistische kant te laten zien. Ik kroop op handen en voeten door de living en mijn man moest het maar aanzien. Hij wou bellen naar het moederhuis of we nog niet mochten terugkeren, maar hij mocht niet van mij. Of van de brullende hysterische versie van mezelf althans. Als ze daar wilden dat ik nog wat thuis bleef, dan zou ik thuis blijven. Ik heb mijn vloer en mijn tapijt nog nooit van zo dichtbij gezien. Jammer dat er geen camera in ons huis hangt, want ik zou de hond-versie van mezelf nog wel eens willen zien. Kermen, kruipen, roepen. En zeggen aan mijn man dat Reizen Waes op tv veel meer entertainend was dan zijn dramatische vrouw. En hij dus maar beter naar tv keek in plaats van naar mij.

Gelukkig kon hij me toch wat bedaren en besloten we opnieuw de tocht richting het ziekenhuis te beginnen. Hoewel ik mij anders erger aan het niet-assertieve (lees: slome) (sorry schatje) rijgedrag van mijn man, was ik nu in ware Hyacinth Bucket stijl aan het zeggen dat hij voorzichtig moest zijn! En niet zo kort mocht remmen! En dat rond punt toch wel trager had kunnen nemen… Goed aangekomen in het moederhuis, mocht ik me onmiddellijk in de bevallingskamer installeren. Vrij snel kwam de anesthesist mij verlossen van die duivelse weeën. Ik kon hem wel knuffelen, mijn held, mijn verlosser. En dan kon het aangename wachten beginnen. Tussen de epidurale en de eigenlijke arbeid, besliste mijn lichaam ook nog even om het verlossingskwartier van wat extra water te voorzien nadat ik plots onder mijn deken een ‘knak’ hoorde. Alsof een ballonnetje in mezelf kapot was. Het water brak. Laat in de avond op Pasen.

Even later mocht ik beginnen persen. De vroedvrouw belde bij het aanvatten daarvan nog even naar de gynaecoloog van wacht en vroeg haar eventjes de Paaseitjes in te ruilen voor een bevalling. Ze kwam enkele minuten later net op tijd binnen om mijn knappe zoon op mijn buik te leggen. Wat was hij er snel! Hij had als een echte Flandrien de eindsprint ingezet en kwam heel snel juichend (of was het wenend?) over de meet! Hoera! Gewonnen! Het leven gehaald! De gynaecoloog was onder de indruk. “En dat voor je eerste? Je bent een natuurtalent! Je mag er nog kopen”. Euh, nee, bedankt. Laten we het maar eventjes houden bij dat mooie mannetje met zijn zwarte haartjes en zijn indringende ogen. Daar lag hij dan. Met zijn volmaakte lichaampje tegen mij. Skin to skin.

Hij keek in mijn ogen en ik wist meteen: dit is de liefde van mijn leven. (Opnieuw, sorry schat).

Stampertje

Ik.Zou.Mama.Worden…

Ik mocht me beginnen voorbereiden op de komst van een klein minimensje. Maar daarvoor had ik nog wel enkele maanden. Waarin je je als vrouw eigenlijk helemaal niét voorbereidt op mama worden. Maar op de komst van een baby. En de praktische kant die daarbij komt kijken. Een slaapkamer zoeken. De muren een kleurtje geven. Kleertjes bijéén zoeken. Infoavonden afschuimen die me zouden voorbereiden op bevallen en borstvoeding geven. Heel praktisch allemaal. Maar zo praktisch is mama worden eigenlijk niet. Helemaal niet, zelfs. Mama worden is emotioneel. Mama zijn is emotioneel maal duizend. Maar daar kom ik later op terug.

Als je denkt dat het vervelende bezoek van tante Marie maandelijks je hormonen op hol brengt, dan ben je nog niet zwanger geweest. En dan zijn je hormonen nog niet écht op hol geweest. Want op de weg van het mama worden, werd ik soms horendol. Fysiek. Én emotioneel.

Fysiek eerst. Want, ik heb alles opgeschreven. Ik moest en zou het allemaal onthouden. Want hoe vaak ik de eerste weken en maanden ook zei dat ik het zo lastig vond om zwanger te zijn, even vaak zeiden mensen me dat ik dat wel allemaal zou vergeten eenmaal het kleintje er was. En dat kon en zou niet gebeuren. Maar het klopt hoor. Had ik niet hier en daar aan mezelf een post-it’tje achtergelaten, ik was het allemaal vergeten. Het niet kunnen opstaan ’s ochtends zonder eerst al liggend een beschuitje te eten om mijn oprispingen te temperen. Het gevoel dat mijn borsten een eigen leven zouden beginnen leiden en alle lagen van mijn kledij zouden ontgroeien. De stekende pijn in mijn onderrug en mijn bekken. De dolle avonturen van mijn darmen waarover ik – gelukkig voor jullie – niet in detail zal vertellen. De bolle buik die begint door te wegen én in de weg begint te hangen, en waarover je de prachtigste complimenten krijgt zoals “amai, zeker dat je geen tweeling krijgt” en “ge staat wel zwaar é zeg”. De dingen die je als vrouw barstensvol hormonen wil horen dus. Of niet.

Emotioneel dan. Zwangere dames onder jullie. Zet die emmers maar klaar. Want tranen zullen er zijn. Met tuiten. Op de meest onverwachte momenten, bij TV-programma’s waar je het niet verwacht, in gezelschap die het niet zag aankomen. Zo was ik op een avond samen met mijn man gezellig naar een reportage aan het kijken over huizen die een naam dragen. En die avond heette het huis “Kindervreugd”. De eigenaars van het huis vertelden het verhaal van hun woning, blikten terug op vele jaren geleden en toonden foto’s van toen ze een pasgetrouwd koppel waren, en dan foto’s van hun kinderen spelend rond hun huis. Hun kinderen die het huis nu ontgroeid waren. Maar de manier waarop het koppel naar de foto’s keek, en van elkaar en hun huis hield, deed me gewoon in tranen uitbarsten. Opnieuw die blik van mijn man en de vraag “Zijde gij nu serieus aan ’t bleiten voor een huis?”. Jep. Ik kon dat. Bleiten voor een huis. Meer zelfs; ik kan dat nu nog. Ik kan me zoveel beter inbeelden nu, wat dat betekent “je ouderlijk huis”. En zo’n huis en warme thuis wou ik ook kunnen geven aan mijn stampertje in de buik.

Want stampen, dat kon hij. Als geen ander. Elke maand mochten we op bezoek bij de gynaecoloog, een blik gaan werpen op ons kleintje. Vanaf dag 1 in de zwangerschap wist ik gewoon dat het een jongetje was. En wat voor één. Hij had al kuren in de buik. Hij verborg zijn gezichtje achter zijn handen, maar zijn geslacht dat spreidde hij echt wel ten toon. “Talk to the hand (of euh, iets anders) because the face don’t want to hear it anymore”. De gynaecoloog vond het toen ook al een actief baasje. Ik probeerde nog “Dokter, naar het schijnt zijn actieve foetusjes in de buik, rustige baby’tjes eenmaal geboren” te geloven maar…. De dokter vond het precies grappig en wilde me toen waarschijnlijk nog niet zeggen dat 99% van wat op internetfora te lezen valt zever is. Gezever. Dus beantwoordde ze mijn vraag met een glimlach. En iets als “je weet nooit”. Ik krijg spontaan een glimlach op mijn gezicht nu ik dit aan het schrijven ben. En denk aan mijn zoontje. Laten we zeggen dat hij zijn speelsheid van in de buik niet echt is kwijtgeraakt. Integendeel. En, gelukkig maar !

Proloog “Van mama worden naar mama zijn”

Vrijdagavond 31 juli 2014. Meer dan één jaar geleden, maar ik kan me elk detail van die avond nog herinneren. Ik was op bezoek bij een hele goede vriendin die drie maand ervoor mama geworden was. Binnen wandelend in haar huis kwam haar hond op me afgerend. Zoals gewoonlijk. Een enthousiast beest dat me uit blijdschap altijd wou omver springen. Maar niet die avond. Een ritueel waar hij plots van afweek. De hond stormde op mij af en op een voet van mij vandaan hield ze halt, en keerde ze zich om. Ik stond versteld. Waar was de anders zo uitbundige begroeting gebleven? En toen viel het me te binnen. Mijn vriendin had me enkele maanden eerder verteld dat de hond, toen ze zwanger was, afstand hield. Niet spontaan op haar schoot kroop. Veel voorzichtiger was in haar buurt. Al van in het prille begin van haar zwangerschap. Alsof het beest dat voelde.

Op één of andere manier wist ik het meteen. Maar kon het?

Kon er, nu al, diep vanbinnen in mezelf een mensje zich aan het nestelen zijn? De aangeboden cava dronk ik maar half uit en ik was de hele avond stil. Ik voelde dat mijn lichaam me iets wilde zeggen. Ik voelde het aan elke zenuw, aan elke spier, aan elke tinteling. Eenmaal thuis vertelde ik hoe ik me voelde aan mijn man. Hij zei dat het wel héél snel zou zijn, en ik zag hem denken dat hij mij toch maar een rare vrouw vond soms. Met mijn vreemde voorgevoelens altijd.

Een langzame nacht ging voorbij, mijn man vertrok naar zijn werk en ik bleef ’s ochtends wat zenuwachtig achter in ons huis. Zou ik ? Ik had de week ervoor al proactief wat inkopen gedaan. Iets als een stickje waar blauwe streepjes kunnen op verschijnen. De dame aan de kassa had me veelbetekenend aangekeken want ik had het niet bij één stickje gehouden. Want ik was ervan overtuigd dat ik in de komende maanden heel vaak ging kijken of er geen blauw streepje in mijn leven verscheen.

Die zaterdagochtend bleef ik na het douchen wat ijsberen in de badkamer. Was mijn voorgevoel toch niet zo vreemd? Of beeldde ik het me allemaal maar in? Twee lichtblauwe streepjes later wist ik het. Of beter gezegd: drie keer twee blauwe streepjes later. Want daar moet toch een foutmarge op zitten, niet? De rest van de ochtend kon ik alleen maar denken aan hoe ik het fantastische nieuws aan mijn man zou vertellen. Ik deed ideetjes op op Pinterest, oefende voor de spiegel wat ik zou zeggen…  alles ten spijt. Want toen hij binnen kwam, deed ik niets anders dan eerst wat wiebelend rond mijn as staan draaien en hem dan in de armen te vliegen al schreeuwend dat we een baby’tje zouden krijgen. Wat daarop volgde was één seconde staren in elkaars ogen, met elk een traantje op de wang, een “’t is’t echt?” en dan iets dat leek op een vreugdedans/knuffelrondje. Mama worden.