The hardest part

De liefde van mijn leven. Dat zag ik in zijn ogen. En dat voel ik nu ook. Maar de eerste weken dat hij in mijn leven was, voelde die liefde nog zo pijnlijk. Zo niet evident. Zo niet hoe ik het verwacht had. Hoorde de liefde tussen mama en kind niet een liefde te zijn die onvoorwaardelijk was, zonder scherpe kantjes? Was die liefde niet enkel rozengeur en maneschijn? Een vrolijk gehuppel op roze wolkjes? Alles wat ik vooraf verwacht had te voelen, bleek nu zo veraf. En ik begreep niet hoe dit kwam… Mijn kleine schat kwam vlot te wereld, maar wat volgde in de weken erop, kon je niet met het woord vlot omschrijven. Het kwam niet als vanzelf. Ik had verwacht dat na de geboorte alles wel spontaan in orde zou komen. Dat het moederschap me onmiddellijk in de vingers zou zitten en dat de verbintenis tussen mijn kleintje en ikzelf de evidentie zelve zou zijn. Tot borstvoeding één en al gesukkel bleek te zijn. En mijn periode in het moederhuis, waar ik hoopte de nodige steun en een goede start te vinden, zo hard tegenviel.

De dag dat hij geboren werd, werd een lange dag. Met bezoekjes van de grootouders, tantes en nonkels en enkele van de beste vrienden. Ik vond het heel fijn en leefde op adrenaline. Het feit dat ik al anderhalve dag wakker was, voelde ik niet. Tot ik ’s avonds alleen zat met het kleintje. Bezoek naar huis, de man wat slaap gaan inhalen. En ik in mijn bed. Het gevoel moederziel alleen te zijn…

Ik deed mijn uiterste best voor mijn kleintje. Maar dat kon niet gezegd worden van enkele vroedvrouwen. Die hele eerste dag kwam er amper iemand van het personeel door de deur. Enkel heel vroeg ’s morgens, zo’n vier uur na de bevalling, kwam de ochtendverpleegster me duidelijk maken “dat ik uit mijn bed moest” want dat ik zo “het snelst terug op de been zou zijn”. Epidurale verdoving in mijn benen of niet, hup met de geit. Ik was nu mama, dus slapen, dat was voor later. En de borstvoeding, dat zou ook wel vanzelf komen. Op dag één kreeg ik op dat vlak nul begeleiding. Waardoor ik vanaf dag twee eigenlijk al pijn had aan mijn borsten en ik op dag drie al moest beginnen sukkelen met tepelhoedjes (bah, het woord typen alleen al doet mijn maag ineen krimpen). Later die week kwam de aap uit de mouw. “Waarom vraag jij zoveel ondersteuning? Het is toch je tweede kindje? Je zou toch al een beetje moeten weten hoe alles in zijn werk gaat?”, sneerde een vroedvrouw me toe. Eum. Neen. Ik had nog nooit een kind op de wereld gezet. Ik wist dus helemaal niet hoe alles in zijn werk ging. En dan nog. Al was het mijn tweede kind; had ik dan geen recht gehad op wat ondersteuning, mocht het bijvoorbeeld de eerste keer borstvoeding geweest zijn? De vroedvrouw hoorde het in Keulen donderen en mompelde iets van “dat staat dan verkeerd in je dossier”.

Je leest het; mijn eerste dagen als mama waren niet echt een succes. Gelukkig nam ik de juiste beslissing om een zelfstandige vroedvrouw te bellen met de vraag me na mijn thuiskomst wat te ondersteunen. Zij heeft ervoor gezorgd dat ik de borstvoeding nog enkele weken heb volgehouden en dat ik terug op krachten kon komen. Maar de slechte start, die kon ik achteraf bekeken niet meer terugdraaien. Door een verkeerde zuigtechniek in het begin, had ik de dagen en weken erop heel veel pijn tijdens het voeden van mijn kleintje. Na elke voedingsbeurt hoopte ik dat hij niet snel weer honger zou krijgen. En als ik drie à vier uur later zijn honger-weentje hoorde, associeerde ik mijn baby met fysieke pijn. De hel. Kon hij nu niet gewoon wat langer slapen en mij wat meer laten rusten? Ik voelde me schuldig dat ik zo’n dingen dacht en voelde, ik wist geen raad met mezelf.

Ook mijn kleintje voelde zich niet optimaal. Hij had steeds felle krampjes. Hij huilde overdag redelijk veel door pijn in zijn darmpjes en ik had het gevoel te falen als mama. Waarom kon ik hem niet troosten? Waarom was mijn moederschap niet voldoende om hem goed te doen voelen? De stress die met deze gevoelens gepaard gingen, zorgden ervoor dat ik, wanneer mijn man ’s avonds thuis kwam, gewoon weende … weende .. en nog eens weende. En mijn kleintje ? Die stopte met wenen bij het zien van zijn papa. En dát gaf me natuurlijk nog een veel slechter gevoel. Mijn kleintje weent als hij bij mij is, en niet bij zijn papa. Ze deden het zo goed met z’n tweetjes, mijn mannen. Ik voelde me overbodig en slecht.

Achteraf bekeken, is de manier waarop alles verliep, eigenlijk niet meer dan logisch. Mijn kleintje weende minder ’s avonds, en al helemaal niet ’s nachts, omdat hij zo uitgeput was van het huilen overdag. Ook voelde hij natuurlijk mijn stress en onrust aan, en bij zijn papa kwam hij tot rust. Wat ben ik dankbaar dat we een goede relatie hebben, en dat mijn schat van een man me heeft bijgestaan in die moeilijke periode, mijn gehuil aan kon en me steeds weer het nodige zelfvertrouwen probeerde te geven. Wat ben ik ook blij dat ik goed gesteund werd door mijn familie en vrienden. En dan vooral mijn mama, die bijna elke dag langskwam om me even te laten tot rust komen.

Kan ik ooit ook zo’n fantastische mama zijn als de mijne? Ik hoop het.

Noot: Deze blogpost was niet fijn om te schrijven. Confronterend. Waarschijnlijk ook minder fijn om te lezen dan de vorige bijdragen. Als ik er mopjes of vrolijkheid aan zou toevoegen, zoals in mijn vorige posts, dan zou ik het gevoel dat ik toen had teniet doen en de ernst van mijn gevoelens van toen niet eerlijk beschrijven. Maar, het wordt beter! I promise. Blijf lezen! Doch, toen ik doormaakte wat hierboven beschreven staat, dacht ik dat het nooit meer beter werd…. Dus, voor alle (prille, en minder prille) mama’s die er even door zitten, om gelijk welke reden, it gets better… !

Advertenties

Als een echte Flandrien…

De zwangerschapsweken kropen voorbij. Als een slak. Want hoe meer je naar iets verlangt, hoe trager de tijd gaat. De buik werd boller, de ongemakjes namen toe, en de goede raad kende geen grenzen. Ik moest en zou genieten van die laatste weken zwangerschap, want ja, daarna was het voorbij, de rust. Ik zou er wel nog naar terug verlangen, naar die zwangerschap, eenmaal dat wenende kindje mijn nachtrust zou verstoren. Maar, eerlijkgezegd, ik heb nog geen moment gedacht “oh was ik nog maar zwanger”. Not.a.single.moment. De dag dat ik uitgerekend was, was ik het echt kotsbeu.

Ik besloot een bad te nemen om mezelf wat te kalmeren maar het hielp niet echt. Ik begon aan een staaltje “stand up comedy”, al liggend, weliswaar. Mijn man moest bijna wenen van het lachen toen ik op mijn sarcastisch toontje duidelijk maakte dat ik het allemaal een klein beetje véél beu was. De buik, de striemen, de vele telefoontjes met “Ewel, zijde gij nu nog niet bevallen!”. Ik had mijn show beter wat eerder opgevoerd, want diezelfde dag, op Pasen – hoe symbolisch – besloot mijn kleine Flandrien dat het welletjes was geweest. Hij wilde zijn beentjes strekken. En ik was blij dat ik dat vanaf de volgende dag niet meer tegen mijn ribben zou voelen. Na mijn bad liep alles zijn gewone gangetje. Ik nestelde me in de namiddag in de zetel om naar de Ronde van Vlaanderen te kijken. Veel heb ik er niet van gezien, want toen begonnen ze. De weeën. Met mijn gsm in de hand begon ik te timen. Jaaaaa, al een uur lang elke 5 minuten een wee. Hoera! Zou het? Zou mijn lichaam mijn hoofd eindelijk volgen? Een telefoontje naar het moederhuis later, mocht ik mijn weeën thuis nog wat opvangen. In bad opnieuw. En als ik na een uur in een warm bad nog steeds elke 5 minuten een wee had, dan mocht ik binnen. Het langste uur van mijn leven. De weeën gingen gelukkig niet voorbij en ik mocht me klaarmaken om in de auto te stappen. Joepie, spannend, ik zou heel binnenkort mama worden. Tijdens de rit naar het moederhuis hoorden we op de radio wie de Ronde Van Vlaanderen gewonnen had. Maar vraag me nu niet meer wie dat was. Ik was enkel maar bezig met mijn kleine Flandrientje. Verlangen maar, want binnen enkele uurtjes zou ik hem eindelijk in mijn armen mogen houden.

Eenmaal aangekomen in het moederhuis, mocht ik aan de monitor en onderzocht de lieve vroedvrouw of er down under al wat vorderingen waren. Een klein beetje. Maar een uur later, was dat kleine beetje nog altijd datzelfde kleine beetje. Dus ze belde de gynaecoloog van wacht, die duidelijk nog Paaseitjes aan het eten was met haar familie en me liever nog niet ontmoette. Ik zou beter nog wat naar huis gaan, want het was mijn eerste kind dus het zou vast nog heel lang duren.

Een beetje ontgoocheld stapten we terug in de auto en reden we het halfuur terug naar huis. Onderweg stopten we om frietjes te halen zodat ik toch wat energie had. Eenmaal ik thuis drie frieten gegeten had, begonnen de weeën echter met zich van hun meest sadistische kant te laten zien. Ik kroop op handen en voeten door de living en mijn man moest het maar aanzien. Hij wou bellen naar het moederhuis of we nog niet mochten terugkeren, maar hij mocht niet van mij. Of van de brullende hysterische versie van mezelf althans. Als ze daar wilden dat ik nog wat thuis bleef, dan zou ik thuis blijven. Ik heb mijn vloer en mijn tapijt nog nooit van zo dichtbij gezien. Jammer dat er geen camera in ons huis hangt, want ik zou de hond-versie van mezelf nog wel eens willen zien. Kermen, kruipen, roepen. En zeggen aan mijn man dat Reizen Waes op tv veel meer entertainend was dan zijn dramatische vrouw. En hij dus maar beter naar tv keek in plaats van naar mij.

Gelukkig kon hij me toch wat bedaren en besloten we opnieuw de tocht richting het ziekenhuis te beginnen. Hoewel ik mij anders erger aan het niet-assertieve (lees: slome) (sorry schatje) rijgedrag van mijn man, was ik nu in ware Hyacinth Bucket stijl aan het zeggen dat hij voorzichtig moest zijn! En niet zo kort mocht remmen! En dat rond punt toch wel trager had kunnen nemen… Goed aangekomen in het moederhuis, mocht ik me onmiddellijk in de bevallingskamer installeren. Vrij snel kwam de anesthesist mij verlossen van die duivelse weeën. Ik kon hem wel knuffelen, mijn held, mijn verlosser. En dan kon het aangename wachten beginnen. Tussen de epidurale en de eigenlijke arbeid, besliste mijn lichaam ook nog even om het verlossingskwartier van wat extra water te voorzien nadat ik plots onder mijn deken een ‘knak’ hoorde. Alsof een ballonnetje in mezelf kapot was. Het water brak. Laat in de avond op Pasen.

Even later mocht ik beginnen persen. De vroedvrouw belde bij het aanvatten daarvan nog even naar de gynaecoloog van wacht en vroeg haar eventjes de Paaseitjes in te ruilen voor een bevalling. Ze kwam enkele minuten later net op tijd binnen om mijn knappe zoon op mijn buik te leggen. Wat was hij er snel! Hij had als een echte Flandrien de eindsprint ingezet en kwam heel snel juichend (of was het wenend?) over de meet! Hoera! Gewonnen! Het leven gehaald! De gynaecoloog was onder de indruk. “En dat voor je eerste? Je bent een natuurtalent! Je mag er nog kopen”. Euh, nee, bedankt. Laten we het maar eventjes houden bij dat mooie mannetje met zijn zwarte haartjes en zijn indringende ogen. Daar lag hij dan. Met zijn volmaakte lichaampje tegen mij. Skin to skin.

Hij keek in mijn ogen en ik wist meteen: dit is de liefde van mijn leven. (Opnieuw, sorry schat).

Stampertje

Ik.Zou.Mama.Worden…

Ik mocht me beginnen voorbereiden op de komst van een klein minimensje. Maar daarvoor had ik nog wel enkele maanden. Waarin je je als vrouw eigenlijk helemaal niét voorbereidt op mama worden. Maar op de komst van een baby. En de praktische kant die daarbij komt kijken. Een slaapkamer zoeken. De muren een kleurtje geven. Kleertjes bijéén zoeken. Infoavonden afschuimen die me zouden voorbereiden op bevallen en borstvoeding geven. Heel praktisch allemaal. Maar zo praktisch is mama worden eigenlijk niet. Helemaal niet, zelfs. Mama worden is emotioneel. Mama zijn is emotioneel maal duizend. Maar daar kom ik later op terug.

Als je denkt dat het vervelende bezoek van tante Marie maandelijks je hormonen op hol brengt, dan ben je nog niet zwanger geweest. En dan zijn je hormonen nog niet écht op hol geweest. Want op de weg van het mama worden, werd ik soms horendol. Fysiek. Én emotioneel.

Fysiek eerst. Want, ik heb alles opgeschreven. Ik moest en zou het allemaal onthouden. Want hoe vaak ik de eerste weken en maanden ook zei dat ik het zo lastig vond om zwanger te zijn, even vaak zeiden mensen me dat ik dat wel allemaal zou vergeten eenmaal het kleintje er was. En dat kon en zou niet gebeuren. Maar het klopt hoor. Had ik niet hier en daar aan mezelf een post-it’tje achtergelaten, ik was het allemaal vergeten. Het niet kunnen opstaan ’s ochtends zonder eerst al liggend een beschuitje te eten om mijn oprispingen te temperen. Het gevoel dat mijn borsten een eigen leven zouden beginnen leiden en alle lagen van mijn kledij zouden ontgroeien. De stekende pijn in mijn onderrug en mijn bekken. De dolle avonturen van mijn darmen waarover ik – gelukkig voor jullie – niet in detail zal vertellen. De bolle buik die begint door te wegen én in de weg begint te hangen, en waarover je de prachtigste complimenten krijgt zoals “amai, zeker dat je geen tweeling krijgt” en “ge staat wel zwaar é zeg”. De dingen die je als vrouw barstensvol hormonen wil horen dus. Of niet.

Emotioneel dan. Zwangere dames onder jullie. Zet die emmers maar klaar. Want tranen zullen er zijn. Met tuiten. Op de meest onverwachte momenten, bij TV-programma’s waar je het niet verwacht, in gezelschap die het niet zag aankomen. Zo was ik op een avond samen met mijn man gezellig naar een reportage aan het kijken over huizen die een naam dragen. En die avond heette het huis “Kindervreugd”. De eigenaars van het huis vertelden het verhaal van hun woning, blikten terug op vele jaren geleden en toonden foto’s van toen ze een pasgetrouwd koppel waren, en dan foto’s van hun kinderen spelend rond hun huis. Hun kinderen die het huis nu ontgroeid waren. Maar de manier waarop het koppel naar de foto’s keek, en van elkaar en hun huis hield, deed me gewoon in tranen uitbarsten. Opnieuw die blik van mijn man en de vraag “Zijde gij nu serieus aan ’t bleiten voor een huis?”. Jep. Ik kon dat. Bleiten voor een huis. Meer zelfs; ik kan dat nu nog. Ik kan me zoveel beter inbeelden nu, wat dat betekent “je ouderlijk huis”. En zo’n huis en warme thuis wou ik ook kunnen geven aan mijn stampertje in de buik.

Want stampen, dat kon hij. Als geen ander. Elke maand mochten we op bezoek bij de gynaecoloog, een blik gaan werpen op ons kleintje. Vanaf dag 1 in de zwangerschap wist ik gewoon dat het een jongetje was. En wat voor één. Hij had al kuren in de buik. Hij verborg zijn gezichtje achter zijn handen, maar zijn geslacht dat spreidde hij echt wel ten toon. “Talk to the hand (of euh, iets anders) because the face don’t want to hear it anymore”. De gynaecoloog vond het toen ook al een actief baasje. Ik probeerde nog “Dokter, naar het schijnt zijn actieve foetusjes in de buik, rustige baby’tjes eenmaal geboren” te geloven maar…. De dokter vond het precies grappig en wilde me toen waarschijnlijk nog niet zeggen dat 99% van wat op internetfora te lezen valt zever is. Gezever. Dus beantwoordde ze mijn vraag met een glimlach. En iets als “je weet nooit”. Ik krijg spontaan een glimlach op mijn gezicht nu ik dit aan het schrijven ben. En denk aan mijn zoontje. Laten we zeggen dat hij zijn speelsheid van in de buik niet echt is kwijtgeraakt. Integendeel. En, gelukkig maar !

Proloog “Van mama worden naar mama zijn”

Vrijdagavond 31 juli 2014. Meer dan één jaar geleden, maar ik kan me elk detail van die avond nog herinneren. Ik was op bezoek bij een hele goede vriendin die drie maand ervoor mama geworden was. Binnen wandelend in haar huis kwam haar hond op me afgerend. Zoals gewoonlijk. Een enthousiast beest dat me uit blijdschap altijd wou omver springen. Maar niet die avond. Een ritueel waar hij plots van afweek. De hond stormde op mij af en op een voet van mij vandaan hield ze halt, en keerde ze zich om. Ik stond versteld. Waar was de anders zo uitbundige begroeting gebleven? En toen viel het me te binnen. Mijn vriendin had me enkele maanden eerder verteld dat de hond, toen ze zwanger was, afstand hield. Niet spontaan op haar schoot kroop. Veel voorzichtiger was in haar buurt. Al van in het prille begin van haar zwangerschap. Alsof het beest dat voelde.

Op één of andere manier wist ik het meteen. Maar kon het?

Kon er, nu al, diep vanbinnen in mezelf een mensje zich aan het nestelen zijn? De aangeboden cava dronk ik maar half uit en ik was de hele avond stil. Ik voelde dat mijn lichaam me iets wilde zeggen. Ik voelde het aan elke zenuw, aan elke spier, aan elke tinteling. Eenmaal thuis vertelde ik hoe ik me voelde aan mijn man. Hij zei dat het wel héél snel zou zijn, en ik zag hem denken dat hij mij toch maar een rare vrouw vond soms. Met mijn vreemde voorgevoelens altijd.

Een langzame nacht ging voorbij, mijn man vertrok naar zijn werk en ik bleef ’s ochtends wat zenuwachtig achter in ons huis. Zou ik ? Ik had de week ervoor al proactief wat inkopen gedaan. Iets als een stickje waar blauwe streepjes kunnen op verschijnen. De dame aan de kassa had me veelbetekenend aangekeken want ik had het niet bij één stickje gehouden. Want ik was ervan overtuigd dat ik in de komende maanden heel vaak ging kijken of er geen blauw streepje in mijn leven verscheen.

Die zaterdagochtend bleef ik na het douchen wat ijsberen in de badkamer. Was mijn voorgevoel toch niet zo vreemd? Of beeldde ik het me allemaal maar in? Twee lichtblauwe streepjes later wist ik het. Of beter gezegd: drie keer twee blauwe streepjes later. Want daar moet toch een foutmarge op zitten, niet? De rest van de ochtend kon ik alleen maar denken aan hoe ik het fantastische nieuws aan mijn man zou vertellen. Ik deed ideetjes op op Pinterest, oefende voor de spiegel wat ik zou zeggen…  alles ten spijt. Want toen hij binnen kwam, deed ik niets anders dan eerst wat wiebelend rond mijn as staan draaien en hem dan in de armen te vliegen al schreeuwend dat we een baby’tje zouden krijgen. Wat daarop volgde was één seconde staren in elkaars ogen, met elk een traantje op de wang, een “’t is’t echt?” en dan iets dat leek op een vreugdedans/knuffelrondje. Mama worden.