De zwangerschapsweken kropen voorbij. Als een slak. Want hoe meer je naar iets verlangt, hoe trager de tijd gaat. De buik werd boller, de ongemakjes namen toe, en de goede raad kende geen grenzen. Ik moest en zou genieten van die laatste weken zwangerschap, want ja, daarna was het voorbij, de rust. Ik zou er wel nog naar terug verlangen, naar die zwangerschap, eenmaal dat wenende kindje mijn nachtrust zou verstoren. Maar, eerlijkgezegd, ik heb nog geen moment gedacht “oh was ik nog maar zwanger”. Not.a.single.moment. De dag dat ik uitgerekend was, was ik het echt kotsbeu.

Ik besloot een bad te nemen om mezelf wat te kalmeren maar het hielp niet echt. Ik begon aan een staaltje “stand up comedy”, al liggend, weliswaar. Mijn man moest bijna wenen van het lachen toen ik op mijn sarcastisch toontje duidelijk maakte dat ik het allemaal een klein beetje véél beu was. De buik, de striemen, de vele telefoontjes met “Ewel, zijde gij nu nog niet bevallen!”. Ik had mijn show beter wat eerder opgevoerd, want diezelfde dag, op Pasen – hoe symbolisch – besloot mijn kleine Flandrien dat het welletjes was geweest. Hij wilde zijn beentjes strekken. En ik was blij dat ik dat vanaf de volgende dag niet meer tegen mijn ribben zou voelen. Na mijn bad liep alles zijn gewone gangetje. Ik nestelde me in de namiddag in de zetel om naar de Ronde van Vlaanderen te kijken. Veel heb ik er niet van gezien, want toen begonnen ze. De weeën. Met mijn gsm in de hand begon ik te timen. Jaaaaa, al een uur lang elke 5 minuten een wee. Hoera! Zou het? Zou mijn lichaam mijn hoofd eindelijk volgen? Een telefoontje naar het moederhuis later, mocht ik mijn weeën thuis nog wat opvangen. In bad opnieuw. En als ik na een uur in een warm bad nog steeds elke 5 minuten een wee had, dan mocht ik binnen. Het langste uur van mijn leven. De weeën gingen gelukkig niet voorbij en ik mocht me klaarmaken om in de auto te stappen. Joepie, spannend, ik zou heel binnenkort mama worden. Tijdens de rit naar het moederhuis hoorden we op de radio wie de Ronde Van Vlaanderen gewonnen had. Maar vraag me nu niet meer wie dat was. Ik was enkel maar bezig met mijn kleine Flandrientje. Verlangen maar, want binnen enkele uurtjes zou ik hem eindelijk in mijn armen mogen houden.

Eenmaal aangekomen in het moederhuis, mocht ik aan de monitor en onderzocht de lieve vroedvrouw of er down under al wat vorderingen waren. Een klein beetje. Maar een uur later, was dat kleine beetje nog altijd datzelfde kleine beetje. Dus ze belde de gynaecoloog van wacht, die duidelijk nog Paaseitjes aan het eten was met haar familie en me liever nog niet ontmoette. Ik zou beter nog wat naar huis gaan, want het was mijn eerste kind dus het zou vast nog heel lang duren.

Een beetje ontgoocheld stapten we terug in de auto en reden we het halfuur terug naar huis. Onderweg stopten we om frietjes te halen zodat ik toch wat energie had. Eenmaal ik thuis drie frieten gegeten had, begonnen de weeën echter met zich van hun meest sadistische kant te laten zien. Ik kroop op handen en voeten door de living en mijn man moest het maar aanzien. Hij wou bellen naar het moederhuis of we nog niet mochten terugkeren, maar hij mocht niet van mij. Of van de brullende hysterische versie van mezelf althans. Als ze daar wilden dat ik nog wat thuis bleef, dan zou ik thuis blijven. Ik heb mijn vloer en mijn tapijt nog nooit van zo dichtbij gezien. Jammer dat er geen camera in ons huis hangt, want ik zou de hond-versie van mezelf nog wel eens willen zien. Kermen, kruipen, roepen. En zeggen aan mijn man dat Reizen Waes op tv veel meer entertainend was dan zijn dramatische vrouw. En hij dus maar beter naar tv keek in plaats van naar mij.

Gelukkig kon hij me toch wat bedaren en besloten we opnieuw de tocht richting het ziekenhuis te beginnen. Hoewel ik mij anders erger aan het niet-assertieve (lees: slome) (sorry schatje) rijgedrag van mijn man, was ik nu in ware Hyacinth Bucket stijl aan het zeggen dat hij voorzichtig moest zijn! En niet zo kort mocht remmen! En dat rond punt toch wel trager had kunnen nemen… Goed aangekomen in het moederhuis, mocht ik me onmiddellijk in de bevallingskamer installeren. Vrij snel kwam de anesthesist mij verlossen van die duivelse weeën. Ik kon hem wel knuffelen, mijn held, mijn verlosser. En dan kon het aangename wachten beginnen. Tussen de epidurale en de eigenlijke arbeid, besliste mijn lichaam ook nog even om het verlossingskwartier van wat extra water te voorzien nadat ik plots onder mijn deken een ‘knak’ hoorde. Alsof een ballonnetje in mezelf kapot was. Het water brak. Laat in de avond op Pasen.

Even later mocht ik beginnen persen. De vroedvrouw belde bij het aanvatten daarvan nog even naar de gynaecoloog van wacht en vroeg haar eventjes de Paaseitjes in te ruilen voor een bevalling. Ze kwam enkele minuten later net op tijd binnen om mijn knappe zoon op mijn buik te leggen. Wat was hij er snel! Hij had als een echte Flandrien de eindsprint ingezet en kwam heel snel juichend (of was het wenend?) over de meet! Hoera! Gewonnen! Het leven gehaald! De gynaecoloog was onder de indruk. “En dat voor je eerste? Je bent een natuurtalent! Je mag er nog kopen”. Euh, nee, bedankt. Laten we het maar eventjes houden bij dat mooie mannetje met zijn zwarte haartjes en zijn indringende ogen. Daar lag hij dan. Met zijn volmaakte lichaampje tegen mij. Skin to skin.

Hij keek in mijn ogen en ik wist meteen: dit is de liefde van mijn leven. (Opnieuw, sorry schat).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s