En dan was er nog … pepe

Bewust liet ik in deze blog nog een belangrijke gebeurtenis na de geboorte van ons kleintje achterwege.

Het overlijden van mijn grootvader.

Want mijn pepe verdient een blogpost voor zichzelf. Mijn pepe. Mijn dooppeter. Mijn grote voorbeeld. De meest wijze man die ik kende.

Toen ons kleintje geboren werd, was er nog geen vuiltje aan de lucht. Ik kon niet wachten toen ik uit het ziekenhuis was om hem mee te nemen en voor te stellen aan mijn pepe. Zijn overgrootvader die in januari zijn negentigste verjaardag gevierd had en toen geopperd had graag honderd jaar te worden. Tenminste! Negentig jaar zouden ze schelen, mijn grote held en mijn kleine held-to-be. Toen dat kleine heldje één week oud was, mocht hij mee met de auto richting het dorp waar mijn ouders en grootouders wonen. Zo fier als een gieter kwam ik pepe zijn achterkleinkind tonen. Pepe, altijd al een man geweest van weinig woorden, zei niet veel. Dat het een schoontje was en dat ik dat goed gedaan had. En dat ik er goed voor moest zorgen. Ik zag in zijn ogen de fierheid. Dat uiten, dat deed hij niet. Maar zijn blinkende ogen vertelden genoeg. Je zag dat hij blij was met dit nieuwe leven. Vasthouden, dat wou hij wel niet. Dat deed hij niet met baby’s. Die waren te fragiel in zijn grote werkershanden. Maar van op een afstand zat hij te gluren in de Maxi Cosi en te genieten van de nieuwe generatie.

Hij heeft hem maar een paar keer mogen zien. En ons kleintje heeft mijn grote held dus niet echt gekend. En dat vind ik verdomd spijtig. Want ik ben zeker dat hij hem veel had kunnen bijbrengen.

De manier waarop hij ons werd ontnomen, was gewoon niet eerlijk. Kwam geheel onverwacht. Een tiental dagen eerder was hij nog in form op het communiefeest van mijn nichtje. Tien dagen later werd hij niet meer wakker ’s ochtends. Of toch niet meer écht.

Het was moederdag. 10 mei 2015. Ik zette letterlijk op mijn Facebookpagina: … stralend – 1 jaar getrouwd en mijn eerste moederdag. Mijn dag kon niet meer stuk. Dacht ik. Tot we op bezoek gingen bij mijn ouders en ik in een leeg huis binnenkwam. De was die net uit de droogtrommel kwam lag verspreid over de keukentafel. Twee handdoeken waren al geplooid. De radio speelde zachtjes op de achtergrond. Dat mijn moeder haar huis zo zou achterlaten? Dat kon niet. Ik voelde meteen dat er iets niet klopte. Toen ik even belde hoorde ik dat ze bij pepe was. Ze kregen hem niet wakker. De huisdokter was langsgeweest en had meteen de hulpdiensten gebeld. Pepe lag luid te snurken. Maar zijn ogen opende hij niet meer. Hij lag in een diepe slaap. Wat ze ook probeerden, reactie kwam er niet.

Hij werd naar het ziekenhuis gebracht. De dag erna overgebracht naar een ander ziekenhuis. Diagnose: hersenbloeding. In het voorste gedeelte van zijn hersenen. Alle andere functies van zijn lichaam werkten nog. Hij was niet verlamd, zijn organen deden het nog. Maar hij reageerde amper.

Toch deed hij zijn ogen nog open en probeerde hij dingen te zeggen. Te grommen. Zijn vals gebit mocht hij niet meer inhebben dus konden we hem al helemaal niet meer begrijpen. Hij lag op intensieve zorgen en er was nog hoop. Want het feit dat hij probeerde te babbelen, was misschien wel een teken dat er verbetering in zicht was. We konden niks anders doen dan afwachten. Uren en dagen. Hij mocht twee keer een halfuur per dag bezoek hebben. In de namiddag en ’s avonds. Om hem niet teveel uit te putten. De kinderen en kleinkinderen zorgden ervoor dat er op die momenten zeker iemand was. En sms’ten en belden elkaar dan achteraf om te zeggen hoe pepe gereageerd had. Wat hij gezegd had. We klampten ons allemaal vast aan een laatste sprietje hoop.

Ondertussen zat ik thuis met een huilend kindje. Werd ook hij opgenomen in – weliswaar een ander – ziekenhuis. Moest mijn mama haar aandacht verdelen tussen haar dochter en haar pasgeboren kleinzoontje, en haar vader. De enige ouder die ze nog had. Haar mama en mijn meme was al overleden. En toch deed ze het ; ze was er voor mij. En ze was er voor pepe. Maar het moesten de lastigste weken van haar leven geweest zijn. Bang haar papa te verliezen het ene moment, het andere moment haar dochter kalmeren, en toch ook proberen te genieten van haar kleinzoontje. Sterke madam, die mama van mij.

Voor mezelf was het, to be honest, de hel. Ik had het gevoel dat ik mijn pepe in de steek liet. Dat ik onvoldoende op bezoek kon gaan. Ik kón in de namiddag gewoon niet op bezoek gaan bij pepe, want ik kon mijn kleintje niet meenemen naar de intensieve zorgen waar pepe lag, noch kon ik mijn kindje dan afzetten bij mijn ouders, want zij waren ook op bezoek bij pepe. Dan probeerde ik ’s avonds, als mijn man thuiskwam van het werk, nog heel snel naar pepe te rijden om zijn hand te kunnen vasthouden en er te zijn voor hem. En ik voelde me ook schuldig, omdat ik – voor de geboorte van ons zoontje – élke week op bezoek ging bij pepe. En na de geboorte, had ik hem maar twee keer meer gesproken. Ik was niet elke week geweest. Had ik dat maar gedaan. En had ik op dat communiefeest van mijn nichtje maar wat tijd genomen om mij bij pepe te zetten en te vragen hoe het met hem ging. Had ik maar, had ik maar…

Nog geen twee maand na de geboorte van mijn kleintje, blies mijn grote held zijn laatste adem uit. Met bijna de hele familie rond hem. En ik was er niet bij. Mijn papa was aan het babysitten en ik moest naar huis. Tien minuten voor hij stierf. Had ik het geweten, was ik die tien minuten nog gebleven. Kon hij ook mijn warmte voelen die laatste seconden. In plaats daarvan zat ik in mijn auto. En kreeg ik telefoon. En reed ik huilend en hysterisch terug naar mijn huis. Naar mijn zoontje. Ik nam hem vast in mijn armen en heb uren zitten wenen. Tot mijn man thuiskwam. Leven en dood, zo dicht bij elkaar.

Enkele dagen later dan de begrafenis. Het eerste wat de begrafenisondernemer tegen mij zei was dat ze dat veel ziet; een kleintje geboren en een (over)grootouder die sterft. Schuldgevoel maal duizend. Want ja, waarom wou ik zo snel een kind? Misschien, als mijn kleine schat wat later geboren was, was mijn pepe ook later gestorven. Ik weet, rationeel gezien, natuurlijk dat dit bullshit is. Maar toch speelde het in mijn hoofd. Vond iets of iemand in dit universum dat ik niet genoeg liefde in mijn hart had voor nog iemand extra? En moest er dan maar iemand die ik al graag zag uit mijn hart verdwijnen? Mislukt hoor. Uit mijn hart verdwijnen doet hij niet mijn pepe.

Hij leeft verder in mijn kleine held zijn helderblauwe ogen. Want die, én zijn mooie stiekeme lach, die heeft hij van mijn pepe. Voor altijd.

Van lood in de schoenen naar losse sandaaltjes

Ik zat diep. Gevangen in een neerwaartse spiraal. Minuten duurden uren. Dagen duurden jaren. Althans in mijn hoofd. Maar mijn kleintje bleef even klein, evenveel baby, even hulpeloos. En ook even schattig tegen zijn mama. Hij is het liefste dat ik heb, het mooiste wezentje dat ik ooit in mijn leven gezien heb. Dé toekomst in dat kleine lichaampje. Maar ik kon niet genieten van mijn zwangerschapsverlof. Hoe hard ik ook probeerde.

Twee kantelmomenten hebben ervoor gezorgd dat ik stilletjes aan weer de oude werd. Het eerste moment was de eerste dag dat ik mijn kleintje voor een ‘test-ochtend’ naar de crèche mocht brengen.

Ik had een hele ochtend voor mij alleen. Ik dacht vooraf; hoeraaaa, freedom! Ik ga shoppen! Naar de kapper! Iets voor mezelf doen! Mezelf in de watten leggen! En wat deed ik? Ik liet mijn kleintje met een klein hartje achter bij de lieve verzorgsters in de crèche. En ging inderdaad winkelen. Maar nee hoor niet voor mezelf. Ik wandelde een kledingwinkel binnen, maar de vrouwencollectie kon me niet bekoren. Al waren de solden net begonnen (!). Ik kocht iets voor mijn kleintje. Keek elke vijf minuten naar mijn gsm. Zouden ze niet gebeld hebben van de crèche? Zou alles er goed mee zijn? Zou hij braaf zijn? Zouden ze er goed voor zorgen? Wil hij daar drinken? En slapen? Na 210 lange minuten, mocht ik hem terug gaan ophalen. Ik voelde me als een puber op haar eerste date. Vlinders in de buik, spanning, tintelingen in de vingers. Ik was zó zenuwachtig om hem terug te zien! Hoe zou hij het gesteld hebben? En zou hij mij herkennen als ik de crèche binnenwandelde? En ja hoor; hij was super flink geweest. De verzorgsters waren vol lof over mijn hartendiefje. En aan zijn brede glimlach te zien, was hij ook content. En blij ook om mij terug te zien. Wat een magisch gevoel… Ik moest hem even missen en gescheiden van hem zijn, om te beseffen hoe graag ik hem wel zie. Absence makes the heart grow fonder. True story.

Ik ben dus gewoon geen thuisblijfmama. PUNT. Vanaf het moment dat ik terug ging werken, en mijn kleintje de structuur van de crèche gewoon was, begon mijn gemoedstoestand te verbeteren. Ik kwam terug buiten, kon babbelen met andere volwassenen (over dossiers praten is soms écht wel leuker dan koetsjie koetsjie koe), maar verlangde ook de hele dag om mijn lieve zoon te gaan ophalen van de crèche. En vanaf vijf uur in de namiddag begon dan mijn tweede deel van de dag. Hem zien, vastnemen, ermee spelen, samen een badje nemen, … En dan lekker vroeg in bed kruipen. Die periode sliep hij gelukkig ook al door, waardoor vermoeidheid me ook geen parten meer kon spelen.

Toch was mijn gevoel nog niet honderd procent wat het moest zijn. Ik kon nog steeds zenuwachtig worden. En vooral ook overbezorgd. Omdat hij geen “volgens-de-boekjes-baby” was. Maar volgens mij zijn er helemaal geen “volgens-de-boekjes-baby’s”! Elke baby is anders! Maar waarom bestaan die boekjes dan? Om “newly moms” paniek aan te jagen? Om ervoor te zorgen dat we toch maar bij elk klein signaaltje op onze hoede zijn? En nog iets! Weg met weegschalen! Ik had zo’n verfoeid ding in huis. Want een baby moet in de eerste maanden elke week minimum 200 gram bijkomen. Wel dat deed mijn kindje op een gegeven moment niet. Ik kon het niet laten hem elke dag wel eens op dat ding te leggen. Al zei mijn hoofd “neeeeeeeeeeeeeen, doe dat niet”, ik deed het toch. Om dan teleurgesteld te zijn en te panikeren omdat hij niet “snel genoeg groeit” volgens de boekjes. (En dan moet je weten dat hij al de hele tijd pal op het gemiddelde zit qua gewicht, ik moest me helemaal geen zorgen maken).

Op een gegeven moment wou hij weer eens niet goed drinken. En ik was alleen thuis. En dan zijn mijn stoppen doorgeslagen. Ik belde naar mijn mama in paniek en riep dat hij weeral niet wou drinken en dat ik het niet kan en dat ik de slechtste mama ooit was en dat ik mezelf iets zou aandoen. Heel kort daarna stond ze daar dan. Mijn lieve mama. Ik zat in de zetel met mijn kleintje in mijn armen. Hij was ondertussen al in slaap gevallen. En ik was al een beetje gekalmeerd. Mama vroeg me heel rustig wat er scheelde. En of ik mij al lang zo slecht voelde. Als een stortvloed aan woorden kwam er alles er dan uit.

Ik ben haar heel dankbaar om de manier waarop ze toen gereageerd heeft. Ze luisterde gewoon. Ze oordeelde niet. Ze wou mij niet gewoon “ompraten” en zeggen “maar meiske toch, gij kunt dat wel”. Ze zag de ernst van de situatie ook in. Ze zag ook dat het meisje dat daar bij haar zat maar een fractie was van hoe haar dochter normaal zou zijn. En stuurde me naar de dokter. Wat mijn partner al een aantal weken had gezegd. Maar toen mijn mama het mij zei, luisterde ik meteen. Mama’s weten het gewoon beter. Zij kennen hun kind het best. En als mijn mama vond dat ik hulp verdiende, dan verdiende ik ook hulp.

De dokter liet me praten, huilen, praten en huilen. Ook hij had begrip. En wist ook dat hij met wat wetenschappelijke uitleg mij zou overtuigen dat het ‘niet aan mij lag’. Maar aan dat hele hormonenhandeltje in mijn lijf dat overhoop lag.  Dat veel vrouwen dat hebben. En dat ik een sterke vrouw ben, want dat ik het niet te lang heb laten aanslepen. Dat dat moedig is. En geen taboe zou mogen zijn. Hij zei me dat ik gewoon een stofje tekort had momenteel. Ik vroeg nog of ik niet met een specialist moest gaan praten en hij zei me dat dat niet nodig was. Want dat ik een goede omgeving had, een goede relatie. Dat het probleem dus niet daaraan lag. Maar gewoon biologisch was. Een stofje in mijn hoofd. Dat verdwenen was bij de bevalling. Gelukkig bestaan zo’n stofjes ook in kleine witte dingetjes die je kon innemen. En zo kreeg ik, na een week of twee, het stofje terug. In die korte periode, sloeg mijn gemoedstoestand om.

Dat kleine verdomde stofje zweefde nu ergens tussen mijn hart en mijn hoofd. Dat kleine stofje maakte de vlinders in mij wakker. Dat kantelmoment zorgde ervoor, enkele maanden later dan voorzien, dat ik nu dolverliefd ben op mijn man(nen) en de meest trotse mama op deze mooie wereld ben. Wonderstof. Sterrenstof.

En mijn mama? De liefste mama ooit. Bedankt.

Gevangen in harteloze gedachten

Mijn medisch relaas in de vorige blogpost was nodig, om het één en ander te kunnen duiden. Want wanneer je kind geboren wordt, dan zijn de meeste wensen “geniet ervan, ze worden zo snel groot, de tijd gaat zo snel”. Maar die eerste drie maand met mijn kleintje, konden eigenlijk voor mij niet snel genoeg voorbij zijn. Ik deed niks anders dan verlangen naar later. Verlangen tot ’s middags, wanneer mijn man tijdens zijn middagpauze naar huis zou komen om ons te vergezellen. Verlangen tot ’s avonds wanneer hij eindelijk thuiskwam. Verlangen tot het kleintje wat ouder was, en vlotter zou drinken. Verlangen tot ik weer kon gaan werken. Want ik voelde me opgesloten. Opgesloten tussen mijn vier muren.

“Ga eens wandelen, ’t is zo’n mooi weer”, zeiden velen. En dat deed ik dan maar. Want dat zou deugd doen hé, met mijn buggy in het zonnetje gaan wandelen. Ja. Een kwartier. Hetzelfde toertje, telkens weer. Tof…. Not! Ik ben nog nooit een wandelaar geweest, toch niet in mijn eigen omgeving. Ik ga graag eens gaan wandelen ja, naar het bos, naar zee. Maar ook – en misschien vooral – omdat dat wandelen dan achteraf beloond wordt met een warme chocomelk en een pannenkoek. Wandelen met mijn kleintje leidde helaas niet tot een zoete beloning. Ik kwam gewoon weer thuis in hetzelfde huis. Ik haalde mijn kind uit zijn draagmand. Ververste hem. Legde hem in zijn park. Of bij mij in mijn armen. Pampertje verversen. Flesje geven. Huiltjes sussen. Fotootjes nemen. Want ik moest en zou tonen dat ik een mooi kindje had en dat ik trots was en zo gelukkig was. Ik had tijdens zijn korte dutjes(vijfenveertig minuten aan een stuk, langer sliep hij niet) ook totaal geen energie om het huishouden te doen. Ik wou dan rusten. Slapen. En vooral even niet denken aan de sleur van het moederschap. Want zo zag ik het.

Was dit het nu? Mama zijn? Opgesloten zitten in een huis met een baby, wachtend tot het vaderken thuis zou komen? Waar was ik aan begonnen… Ik was hier helemaal niet klaar voor ! Ik ben verdorie zevenentwintig jaar! Zie mij hier nu zitten. Moederziel alleen met een hoopje baby. Ondertussen ging het leven van mijn vrienden verder. Op Whatsapp en Facebook zie ik foto’s van feestende mensen verschijnen. Van cocktails op het strand. Van verre reizen. Van leuke citytrips. Van vrijheid. En ik zat daar. Ik voelde mij een verschrikkelijk slechte mama om wat ik dacht en voelde. Ik voelde mij een nog slechtere echtgenote voor mijn man. Want mijn gehuil en gezaag, dat kon toch ook niet fijn thuiskomen zijn na een dag werken. Ik voelde mij een slechte vriendin, want ik was niet meer mee in het leven van mijn vrienden. Ik voelde mij ook een slechte “ik”. Want zo was ik niet. Zo pessimistisch, zo energieloos, zo … depressief?

Ik wilde gewoon weglopen van mijn leven. Van mijn baby. Van mijn verantwoordelijkheid. Want ik kon het gewoon niet. Ik heb nul geduld. Nul zelfvertrouwen. Nul zelfbeeld. Wat heeft dat prachtig kind aan zo’n moeder? Wat had ik mijn lieve, schattige zoontje te bieden, behalve verse luiers en een flesje elke vier uur? Dat kon iedereen anders hem ook bieden. Daar had hij mij vast niet voor nodig.

Deze gevoelens, zo weet ik achteraf, kwamen vooral uit moederliefde. Ik wilde – en wil! – voor mijn kind het allerbeste. Een lachende, fiere mama. Een mama die het goede voorbeeld geeft. Die blij is. Die zichzelf graag ziet. Die het beste van zichzelf geeft. Want enkel met zo’n goed voorbeeld, kon mijn lieverd een mooi mens worden. Ik wou hem een warme thuis geven, maar ik kon dat op dat moment niet. Want mijn hart voelde zo koud. Het leek bij momenten alsof ik zelfs geen hart had.

Een harteloze mama. Is dat geen contradictio in terminis?

De wondere wereld van het maag – en darmstelsel van een pasgeborene

Mijn kleintje was pas enkele weken oud toen ik besliste om de borstvoeding dan maar op te geven. Het.lukte.gewoon.niet. Een combinatie van factoren stond mijn vooropgestelde doel in de weg. Ik wou namelijk toch zeker 10 weken borstvoeding geven, zodat ik hem een goede start met een goede weerstand kon bieden. Vier weken na de geboorte werd dat doel ijdele hoop. Een slechte opstart in het moederhuis. Een zenuwachtige (perfectionistische?) mama. Een al even zenuwachtige en ongeduldige baby. Een slechte zuighouding met heel veel pijn tot gevolg. Krampjes de hele dag door.

Flesjes dan maar. Want dat zou me vast minder stress geven. En een ontspannen mama zou dan ook zorgen voor een ontspannen baby. Helaas was die overschakeling ook niet meteen wat ik ervan verwacht had. Hij dronk de flesjes heel vlot, maar had nog steeds krampjes. En op de duur begon hij te wenen halfweg zijn flesje. Terwijl hij echt nog honger had. Maar hij gaf het op, ik zag de pijn in zijn grote ogen. Zijn ogen die in de mijne staarden en leken te zeggen: “Mama, zo gaat het toch niet? Doe iets! Ik wil zo graag met plezier drinken maar het doet zo’n pijn!” Dan maar een andere melk proberen. En volhouden, want je moet zeker twee weken proberen met een nieuwe melk om resultaat te zien. En dan nog maar eens een andere melk. De pediater zegt het zus, Kind en Gezin zo, en de vele vrienden en familieleden zeggen het nog eens honderd keer anders. Als ‘newly-mom’ weet je gewoon niet wiens raad te volgen. Al wist ik diep vanbinnen, instinctief, dat ze er allemaal naast zaten. Het lag niet aan de melk. Het lag niet aan het kleintje. Het waren niet gewoon krampjes die eruit moesten groeien. Er scheelde iets mee.

Toen hij uiteindelijk in het ziekenhuis belandde omdat hij gewicht verloren had, werden er wat onderzoeken gedaan. Diagnose: koemelkeiwittenallergie. De darmpjes van mijn kleintje waren nog niet voldoende ontwikkeld om zelf de koemelk te verwerken. Dát was dus de reden van de krampjes. En dáárom ook was de borstvoeding mislukt. Want ik hield me allesbehalve aan een koemelkvrij dieet. Had ik die eerste weken maar minder yoghurtjes gegeten, minder melk gedronken, … De pediater liet ons naar huis gaan met onze flinke zoon, die zijn allereerste brede glimlach in het ziekenhuis had getoond. Want krampjes of niet – en dat vergeet ik nu wel een beetje doorheen mijn betoog – onze zoon was een opgewekte, actieve en blije kerel. Enkel de drinkmomenten waren een marteling. Voor ons, maar blijkbaar voor hem nog meer. Hij kreeg een hypoallergene melk voorgeschreven, en het zou vast beter gaan. Maar… die melk stonk! Ik kon de melk niet ruiken, en mijn kleintje moest ervan drinken. Ocharme. De eerste dagen waren dus lastig. We moesten vuile trucjes toepassen, zoals toevoegen van Canderel-vanillesuiker. Fopspeen in de mond steken en zonder hij het zag plots vervangen door de fles… Et cetera. Uiteindelijk dronk hij wel, al was het nog niet met zijn volle ‘goesting’. En de pijn tijdens het drinken bleef wel, de krampjes achteraf bleven gelukkig uit. Die dure (18 euro voor een potje waar je zo’n 2,5 dagen mee verder kon!) en stinkende melk was volgens mij nog niet dé oplossing. Na een drietal weken wou ik daarom een second opinion. Een vriendin raadde mij haar pediater aan. Het was iets verder rijden. Maar wat een geluk dat we bij die man terechtgekomen zijn.

Mijn collega, zo zei de pediater, heeft een goede – maar halve – diagnose gesteld. Koemelkeiwitallergie, daar volgde hij zeker in. Maar het kleintje had ook verborgen reflux. Bij het drinken, kwam de melk terug naar boven, maar niet ver genoeg om het over te geven. Waardoor het terug naar beneden sijpelde. Gevolg? Een heel pijnlijke slokdarm en maagoprispingen. Natuurlijk had hij pijn halfweg zijn fles! De eerste slokken werkten nog verzachtend, maar vanaf het moment dat zijn maag in actie kwam, kwam ook het zuur en de pijn weer naar boven. Onze wonderdokter schreef medicatie voor, en nog een nieuwe melk. Op hoop van zegen…

Het werd elke dag wat beter! Het enige probleem was dat ons kleine slimme mannetje zijn flesje en drinken al geassocieerd had met pijn. En dus voor de zekerheid al halfweg zijn flesje stopte, omdat hij bang was voor de pijn die zou komen. En die associatie had hij vooral bij ons thuis, in het knusse hoekje in de zetel waar hij steeds zijn flesje kreeg. Ik dacht natuurlijk eerst dat het aan mezelf lag, maar toen ik merkte dat – wanneer ik het flesje eens bij mijn ouders thuis gaf – hij toen het flesje wél kon leegdrinken, begreep ik dat hij dat plaatsje thuis associeerde met pijn. In diezelfde periode startte hij ook in de crèche. Hij was ondertussen al drie maanden. Eindelijk zouden we onze draai vinden. In de crèche dronk hij ook zijn flesjes leeg. Dus hij kon het wel. Ik ben die dagen dan maar gaan experimenteren. Ik gaf mijn flandrientje eten in de garage, op de trap, in de gang, op het terras, … en jawel; hij dronk ! Melk geven in de garage? You’ve got to be kidding me? Maar ja, als mama probeer je echt alles om je kind te laten drinken…

Stilletjes aan zette ik mijn stoel opnieuw dichter en dichter bij de living, en na een aantal dagen was zijn associatie gelukkig verdwenen. Geen pijn meer tijdens het drinken, en een happy baby tot gevolg.

Kon het genieten eindelijk beginnen?